Deel met anderen/Share Op 16 april nam ik met de Vrienden van het Airborne Museum deel aan een battlefield tour onder leiding van de 91 jarige veteraan Colonel (Ret.) John Waddy. Hij was commandant van het 156 Battalion "The Parachute Regiment" en landde op 18 september 1944 op de Ginkelse Heide. Na hevige gevechten kwam hij via Wolfheze en Oosterbeek terecht in De Tafelberg te Oosterbeek, dat diende als Brits noodhospitaal, nadat hij door een Duitse sluipschutter beschoten was en daarbij gewond was geraakt. Colonel John Waddy heeft een aanzienlijke staat van dienst opgebouwd. In 2008 leidde hij voor de Vrienden van het Airborne Museum een battlefield tour en gaf een uiteenzetting van wat er gebeurd was op diverse bespreekpunten op het voormalige slagveld. Zijn leeftijd (91 jaar) vormde voor hem geen beletsel om ook dit jaar weer een battlefield tour te leiden. De tour begon op de Ginkelse Heide waar hij samen met de 4th Parachute Brigade landde onder moeilijke omstandigheden, onder hevig Duits vuur. Via de duiker onder de spoorlijn bij Wolfheze en het papendal, de Drijense weg en de Stationsweg eindigde de tour dit keer bij het vernieuwde Airborne Museum. John Waddy raakte gewond door een Duitse sluipschutter en werd opgenomen in het Brits noodhospitaal dat was ingericht in De Tafelberg, dat voordat operatie Market Garden begon het hoofdkwartier was van de Duitse generaal Walter Model.

Bekijk ook de video die ik deze dag gemaakt heb.

Onderweg maakten de Britten al de eerste krijgsgevangenen, onder wie Irene Reimann. Zij was Luftwaffe Nachrigenhelferin en zou de enige vrouwelijke krijgsgevangene bij Arnhem zijn.
In 1944 heeft Waddy als commandant van de B compagnie 156e bataljon deelgenomen aan de strijd en hij is daarbij zwaar gewond geraakt. Waddy is de auteur van een uitgebreide battlefield gids over de slag om Arnhem en hij was vele malen gids voor het Britse Staff College. Het was een hele bijzondere ervaring deel te nemen aan deze battlefield tour die hij leidde, waarbij zijn hoge leeftijd (91) geen beletsel vormde. De battlefield tour begon nadat we een lunch hadden in restaurant Schoonoord te Oosterbeek. Dit was tijdens de slag om Arnhem ingericht als noodhospitaal. Het was voor de oorlog een hotel. Na de oorlog een ontmoetingsplaats voor Arnhem veteranen.

Vervolgens vertrokken we per bus naar drop zone "Y" op de Ginkelse Heide bij Ede, waar het bataljon op 18 september 1944 geland is. Daar aangekomen stond er ook een re-enactmentgroep gereed om ons tijdens de tour te begeleiden, waarbij men gekleed was het in uniform van de British 1st Airborne Division, met de rode baretten, en met droeg wapens uit die tijd. Ze hadden Wyllies Jeeps bij zich zoals die destijds door de Britten werden gebruikt en een paar motoren. Waddy verplaatste zich tijdens de tour in een Willys jeep en zelf had ik ook nog het genoegen een stukje mee te mogen rijden in Oosterbeek naar het Airborne Museum, het voormalige hotel Hartenstein, hoofdkwartier van generaal Urquhart, in het hart van de perimeter van Oosterbeek tijdens de slag om Arnhem. Ik besefte heel goed dat het wel eens de laatste keer zou kunnen zijn op het slagveld de verhalen te horen uit de eerste hand, van iemand die het aan den lijve heeft ondervonden. Immers, de meesten zijn niet meer in leven of zijn niet meer in staat hun verhaal te vertellen na 67 jaar.

De opmars van het 156e Bataljon The Parachute Regiment vanaf Ede naar Oosterbeek werd zoveel mogelijk gevolgd.

 
Een inwoonster van Oosterbeek die de gevechten als kind heeft meegemaakt, in gesprek met John Waddy.
Een inwoonster van Oosterbeek die de gevechten als kind heeft meegemaakt, in gesprek met John Waddy.
De landing van de 4e Parachutistenbrigade op de Ginkelse Heide. Kapitein Booty had een camera bij zich en nam deze foto op 18 september 1944.
De landing van de 4e Parachutistenbrigade op de Ginkelse Heide. Kapitein Booty had een camera bij zich en nam deze foto op 18 september 1944.
Luchtfoto van de Ginkelse Heide. Deze foto is enkele ogenblikken voor de luchtlanding genomen. De heide is door mortiervuur in brand geschoten. De weg rechtsboven is de Amsterdamseweg. Onderdaan de foto is de Rijksweg in aanleg zichtbaar. In het midden van de foto is een eenzame glider te zien op weg naar Wolfheze.
De staf van de 4e Parachutistenbrigade had haar verzamelpunt bij de schaapskooi. Toen brigade generaal Hackett, die deel uitmaakte van het 156e Parachutistenbataljon, hier aankwam had hij al vijf SS'ers gevangen genomen. Op het verzamelpunt kreeg Hackett bezoek van luitenant-kolonel Mackenzie van de staf van de 1e Airborne Division die hem de situatie uitlegde. Hij was de enigde Fransman die aan de Slag om Arnhem heeft deelgenomen en is gesneuveld. Op de Ginkelse Heide landden het 10e Parachutistenbataljon, het 156e Parachutistenbataljon, waar dus ook John Waddy deel van uitmaakte, het 11e Parachutistenbataljon, het 4e Parachute Squadron Royal Engineers en de 133th Field Ambulance. De landingen bij Renkum en Wolfheze verliepen een stuk rustiger dan die op de Ginkelse Heide. John Waddy vertelde ons dat hij bij de landing terecht kwam in de gevechten als gevolg van een aanval van de Duitse 7 en 8 Kompanie op de compagnie King's Own Scottish Borderers (KOSB)
Een deel van de parachutisten werd te laat gedropt. Twee sticks van de 133th Field Ambulance en andere verdwaalde militairen verzamelden zich in de bossen ten noorden van Ede. Ze zwierven daar rond tot ze op 22 september 1944 met leden van het verzet in contact kwamen. Deze verborgen de ruim 30 parachutisten in boerderijen bij De Mossel en Jagersveld. In de nacht van 22 op 23 oktober ontsnapten ze tijdens de operatie Pegasus I. Een van hen had een camera en nam een aantal unieke foto's.
 
Onder leiding van John Waddy volgden we dus de opmars van het 156th Parachute Regiment, waar hij deel van uitmaakte. Het 156e bataljon marcheerde om 17.00 uur langs de spoorlijn Ede Arnhem. Om 20.00 uur voegden de voertuigen zich bij het bataljon. Deze waren die middag met zweefvliegtuigen op langdingszone "X" bij Heelsum geland.

Het 7e bataljon King's Own Scottish Borderers vertrok om 19.00 uur. Ze volgden dezelfde route als het 156e bataljon, namelijk langs de spoorlijn Ede-Arnhem. Pas bij het station Wolfheze konden de King's Own Scottish Borderers zich losmaken van het 156e bataljon.

Het 10e bataljon moest eerst de gewonden op het droppingsterrein verzamelen en marcheerde vervolgens ook af. Het liet een peloton achter voor de beveiliging van de gewonden en de bewaking van de krijgsgevangenen.

Hotel Dreyeroord werd van dinsdagnacht 19 tot en met donderdagavond 21 september 1944 bezet door het 7th Batation KOSB. Omdat de Schotten moeite hadden de naam van het hotel uit te spreken, noemden zij het "The White House". Op donderdag 21 september, nadat de Duitsers het hotel die dag hadden heroverd, ondernamen de Schotten onder leiding van hun commandant Robert Payton-Reid een bajonetaanval om het terrein en het gebouw weer te zuiveren van Duitsers. Deze bloedige charge werd later "The Battle for the White House" genoemd. Naast de ingang van het hotel bevindt zich een plaquette ter herinnering aan de sepbemberdagen van 1944. Deze foto nam ik op 28 april 2011, toen we Hotel Dreyeroord passeerden. In 2008 heb ik hier nog een nacht doorgebracht voorafgaand aan de battlefield tour naar Engeland.
Tijdens deze battlefield tour, waarbij we de route volgden die John Waddy in 1944 ging in september 1944, werden we begeleid door een re-enachtment groep, met Willys jeeps en motoren.
   
Op deze plek landde John Waddy van de 156e Parachute Infantry Regiment op de Ginkelse Heide in de middag van 18 september 1944, waarbij hij terecht kwam in hevige gevechten die aan de gang waren doordat de Duitsers op dat moment bezig waren met een aanval op de King's Own Scottish Borderers.Op deze plek landde John Waddy van de 156e Parachute Infantry Regiment op de Ginkelse Heide in de middag van 18 september 1944, waarbij hij terecht kwam in hevige gevechten die aan de gang waren doordat de Duitsers op dat moment bezig waren met een aanval op de King's Own Scottish Borderers.
Geboeid luisteren we hoe John Waddy de gebeurtenissen vertelt toen hij hier landde in de middag van 18 september 1944. Geboeid luisteren we hoe John Waddy de gebeurtenissen vertelt toen hij hier landde in de middag van 18 september 1944.
 
Inmiddels hadden de Duitsers een sperrlinie opgebouwd langs de Dreijenseweg vanaf de spoorlijn tot de Amsterdamseweg en ten noorden van de Amsterdamseweg in de richting oost-west. Deze linie bestond uit de kampfgruppe Spindler met achtereenvolgens de volgende eenheden: Langs de Dreijenseweg: Kampfgruppe Allworden - Panzerjager van de 9e SS Pantserdivisie. Ten noorden van de Amsterdamseweg: Marineonderdelen, het SS Panzergrenadier Ausbildungs- und Ersatz-Bataillon 16 onder bevel van hauptsturmfuhrer (majoor) Krafft en het Scicherheidsregiment 908 onder bevel van majoor Junghans.
Het 10e bataljon werd aanvankelijk in reserve gehouden. Na de nacht doorgebracht te hebben bij het hoofdkwartier in hotel "De Buunderkamp" vertrok het bataljon om 04.30 uur richting Amsterdamseweg. Ze zou vandaar de linkerflank van de aanval van de brigade moeten dekken. De voorste compagnie, de D-compagnie, bereikte om 10.00 uur de kruising van een zandweg met de Amsterdamseweg, hun einddoel. De bataljonscommandant Ken Smyth stopte echter niet maar rukte verder op naar Arnhem. Ter hoogte van de Dreijenseweg, bij restaurant "De Leeren Doedel", groef het bataljon zich links en rechts van de weg in met de bedoeling na het invallen van de duisternis verder te trekken.

De A compagnie met kapitein Queripel bij het pompstation links van de weg, de B compagnie met majoor Warr rechts van de weg. Vervolgens ten zuiden daarvan de HQ compagnie met majoor Ashworth en D compagnie met kapitein Horsfall beiden achter het restaurant "De Leeren Doedel". De Support compagnie met majoor Lindley lag daarachter als reserve.
Schuttersputten aan de Dreijenseweg. Deze schuttersputten zijn in 2005 door de Airborne Battle Research Group gerestaureerd. Schuttersputten aan de Dreijenseweg. Deze schuttersputten zijn in 2005 door de Airborne Battle Research Group gerestaureerd.
Schuttersputten aan de Dreijenseweg. Deze schuttersputten zijn in 2005 door de Airborne Battle Research Group gerestaureerd.
 
Het 10e bataljon lag de ochtend en middag van dinsdag 19 september onder zwaar vuur van Duitse mortieren, tanks en geschut. Ze bezetten een tamelijk sterke positie maar zagen geen kans om met hun lichte bewapening de Duitse linie te doorbreken. Ook omtrekkende aanvallen naar het noorden of zuiden mislukten. Ergens in deze omgeving sneuvelde kapitein Queripel. Hij werd later postuum onderscheiden met het Victoria Cross, de hoogste Britse onderscheiding.
Een Duitse 2 cm FLAK opgesteld bij het restaurant "De Leeren Doedel". Deze en enkele andere soortgelijke foto's zijn vermoedelijk op of na 19 september 1944 genomen. Gezien de positie van de FLAK lijkt het erop dat er op vliegtuigen gevuurd wordt. Misschien tijdens de Poolse luchtlandingen of tijdens een van de latere bevoorradingsdroppingen.Een Duitse 2 cm FLAK opgesteld bij het restaurant "De Leeren Doedel". Deze en enkele andere soortgelijke foto's zijn vermoedelijk op of na 19 september 1944 genomen. Gezien de positie van de FLAK lijkt het erop dat er op vliegtuigen gevuurd wordt. Misschien tijdens de Poolse luchtlandingen of tijdens een van de latere bevoorradingsdroppingen.
Het 156e bataljon had opdracht gekregen om bij het invallen van de duisternis halt te houden en zich te reorganiseren. Vervolgens moesten ze bij het eerste licht weer verder trekken. De commandant, luitenant-kolonel Des Voeux, gaf echter zijn voorste compagnie, de C compagnie van majoor Powell, opdracht tot aan de Dreijenseweg te gaan. Daar stuitte deze compagnie op zware tegenstand. De compagnie kreeg vervolgens opdracht zich 1,5 kilometer terug te trekken en in de bossen een sterke uitgaansstelling te betrekken om van daar uit de volgende morgen de opmars te kunnen voortzetten. De rest van de brigade lag verspreid over 5 kilometer langs de spoorlijn Wolfheze-Arnhem. De spoorlijn van Wolfheze naar Arnhem, bij station Oosterbeek.

De spoorlijn van Wolfheze naar Arnhem, bij station Oosterbeek.

Dit is wat overbleef van Johannahoeve, dat verdedigd werd door de 7th KOSB HQ en de B compagnie.

Dit is wat overbleef van Johannahoeve, dat verdedigd werd door de 7th KOSB HQ en de B compagnie.

Ver voor de hoofdmacht van de 4e brigade kwam het 7e bataljon King's Own Scottish Borderers bij de Johannahoeve aan. Ze moesten het landingsterrein "L" voor de landing van de Poolse zweefvliegtuigen op dinsdag 19 september 1944 verdedigen. Dit landingsterrein bleek echter precies voor de Duitse Sperrlinie te liggen. De Duitsers hadden het terrein goed verdedigd. Het lukte de Schotten niet het terrein te veroveren. Tegen de morgen betrokken ze stellingen bij de boerderij Johannahoeve. Ze lagen daar onder zwaar Duits vuur. Ook een aanval van Duitse vliegtuigen bracht het bataljon verliezen toe.

Tijdens de battlefield tour verplaatste John Waddy zich in een Willys jeep
Tijdens de battlefield tour verplaatste John Waddy zich in een Willys jeep
Deze motorfiets werd gebruikt door de re-enactmentgroep die ons vergezelde
Deze motorfiets werd gebruikt door de re-enactmentgroep die ons vergezelde
Bij de inmiddels alom bekende duiker bij Wolfheze onder de spoorlijn, vertelt John Waddy over wat daar gebeurde. Inmiddels is men op de achtergrond in afwachting van jeeps die het nog een keer weer overdoen, door met gebukte hoofden en de voorruit naar beneden door het lage tunneltje te rijden. De drie bataljons die tot staan waren gebracht door Duitse pantserwagens die deel uitmaakten van de Duitse Sperrlinie, moesten zich overhaast terugtrekken. De terugtocht van het 156e bataljon verliep in wanorde en paniek. Manschappen probeerden jeeps en ander zwaar materieel over het hoge talud van de spoorlijn te verplaatsen. De genie had net voor het spoorwegperron een overgang geschikt gemaakt. Ook ontsnapten enkele voertuigen door de afwateringsduiker onder de spoorbaan.

Bij de inmiddels alom bekende duiker bij Wolfheze onder de spoorlijn, vertelt John Waddy over wat daar gebeurde. Inmiddels is men op de achtergrond in afwachting van jeeps die het nog een keer weer overdoen, door met gebukte hoofden en de voorruit naar beneden door het lage tunneltje te rijden. De drie bataljons die tot staan waren gebracht door Duitse pantserwagens die deel uitmaakten van de Duitse Sperrlinie, moesten zich overhaast terugtrekken. De terugtocht van het 156e bataljon verliep in wanorde en paniek. Manschappen probeerden jeeps en ander zwaar materieel over het hoge talud van de spoorlijn te verplaatsen. De genie had net voor het spoorwegperron een overgang geschikt gemaakt. Ook ontsnapten enkele voertuigen door de afwateringsduiker onder de spoorbaan.

Het 156e bataljon dat de zuidelijke vleugel van Hackett's stelling vormde deed in de ochtenduren een aanval op de Duitse Sperrlinie langs de Dreijenseweg. De Duitsers hadden hun vooruitgeschoven stellingen echter verlaten en er werd geen tegenstand ondervonden. Om 07.00 uur slaagde de C compagnie, gesteund door de B compagnie, erin een sterke voorpost van de Duitse Sperrlinie te veroveren. Maar daarna stootte het bataljon op de linie zelf die versterkt was met tanks en pantserwagens. Om 08.30 uur ging de A compagnie tot de aanval over. De Duitse tanks en pantserwagens brachten de compagnie zware verliezen toe waarna ze tot staan gebracht werden. Slechts een handjevol mannen met majoor Pott bereikte de andere kant van de Dreijenseweg. Een half uur later viel de B compagnie op hetzelfde punt aan, maar ze deelde het lot van de A compagnie. De S compagnie en de HQ compagnie gingen om 09.30 uur tot de aanval over. Dertig man van het bataljon bereikten de Dreijenseweg. Om 11.00 uur deden Duitse vliegtuigen een aanval op de B compagnie en brachten de compagnie zware verliezen toe. Om 14.00 uur trokken de overlevenden van het 156e bataljon zich op hun uitgangsstellingen terug. De doorbraak van de Duitse Sperrlinie was mislukt. De opmars van het 156e bataljon naar Arnhem was tot staan gekomen.
Een Sd. Kfz 250 op de Dreijenseweg. Met hun lichte bewapening hadden de Britten geen antwoord op de Duitse pantserwagens.

Een Sd. Kfz 250 op de Dreijenseweg. Met hun lichte bewapening hadden de Britten geen antwoord op de Duitse pantserwagens.

Direct achter de lijn van de drie tot staan gebrachte bataljons had Hackett zijn hoofdkwartier ingericht. De verschillende schuttersputten zijn nog steeds in het terrein terug te vinden. In 2005 zijn deze putten door de Airborne Battle Research Group gerestaureerd.

Op dinsdagmiddag ging Urquhart naar het hoofdkwartier van de 4e brigade ten noorden van de spoorlijn. Hij gaf Hacket bevel zijn eenheden terug te trekken ten zuiden van de spoorlijn. Het 7e bataljon KOSB moest enkele eenheden achterlaten om het landingsterrein van de Poolse gliders, die dezelfde middag zouden arriveren, te beveiligen.

Om 16.30 uur begon de terugtocht van de drie bataljons. Eerst brak het 10e bataljon het gevecht af. Onder Duits vuur moest 600 meter open terrein overgestoken worden. Het bataljon leed zware verliezen. Na het bereiken van Wolfheze trokken de resten van het bataljon zich terug naar de Britse stellingen bij Oosterbeek. De terugtocht van zowel dit bataljon als van het 156e bataljon verliep in wanorde en paniek. Manschappen probeerden jeeps en ander zwaar materieel over het hoge talud van de spoorlijn te verplaatsen. De genie had net voor het spoorwegperron een overgang geschikt gemaakt. Ook ontsnapten enkele voertuigen door de afwateringsduiker onder de spoorbaan.

Ook de terugtocht van de KOSB verliep niet goed. Terwijl de Britten zich terugtrokken landden de zweefvliegtuigen met het Poolse materieel. Van de 35 Horsa gliders die uit Engeland vertrokken kwamen slechts 28 aan waarvan er twee op landingszone "Z" landden. De andere 26 landden op landingszone "L" tussen de Duitse en Britse linies. De Duitsers, bestaande uit de Kampfgruppe Krafft, waren toen bezig met een aanval van noord naar zuid over de weg Ede-Arnhem naar de bossen 800 meter ten zuiden van die weg. Het 10e bataljon een eenheden van de KOSB waren net begonnen aan hun terugtocht. De Poolse zweefvliegtuigen werden vernietigd en het merendeel van het materieel ging verloren. Men kon slechts drie 6 ponder anti-tankkanonnen bergen. Negen Polen sneuvelden.

Ongeveer de helft van het 7e bataljon KOSB voornamelijk C en D compagnie bereikten uiteindelijk om 17.00 uur het verzamelpunt in Wolfheze. Van daar trokken ze verder naar Oosterbeek waar ze stellingen betrokken bij hotel Dreyeroord., het Witte Huis, aan de noordoost kant van de perimeter. De 4e brigade bevond zich na de oversteek van de spoorlijn in Wolfheze en in de bossen oostelijk daarvan. Ze waren toen nog op halve sterkte. De verliezen van die dag waren 54 man aan gesneuvelden. Meer dan de helft was van het 10e bataljon. Een groot deel van de brigade was buiten gevecht gesteld, gewond, afgesneden of krijgsgevangen gemaakt. Hackett kreeg bevel van het hoofdkwartier bij Wolfheze de nacht door te brengen om vervolgens de volgende dag naar Oosterbeek op te trekken.

Deze foto's maakte ik van het Hek Papendal aan de bosrand
 

Bij de opmars de volgende ochtend via de Bredelaan naar het zuiden en dan over de Utrechtseweg naar het oosten, vielen de Duitsers van alle kanten aan. Het 10e bataljon als voorhoede, raakte het contact kwijt en kwam om 13.10 uur in de directe omgeving van Oosterbeek aan. Bij de kruising Van Borsselenweg-Utrechtseweg raakten ze in hevig gevecht met de Duitsers. De rest van de strijdmacht bestaande uit delen van het 156e bataljon en een mix van andere eenheden kon het 10e bataljon niet volgen en kwam uiteindelijk met 150 man in een kom bij de Valkenburglaan ter hoogte van huize de Sonneberg terecht. Ze waren toen nog geen 400 meter van de Britse linies bij Oosterbeek af. Daar bleven ze acht uur vastzitten. In deze omgeving sneuvelden zowel de bataljonscommandant, luitenant-kolonel Des Voeux als de Brigade-Majoor Bruce Dawson.

Een andere grote groep, ruim 130 man, voornamelijk van de B compagnie KOSB, werd in de bossen bij Wolfheze door de Duitsers omsingeld en moest zich bij gebrek aan munitie overgeven. Ook werden kleinere groepjes Airbornes gevangen genomen. Uiteindelijk slaagden slechts enkele van deze ge´soleerde groepjes en individuele militairen erin de perimeter bij Oosterbeek te bereiken.

De groep van Brigadier Hackett hield de hele woensdagmiddag en avond stand. Toen bijna de helft gewond geraakt was besloot Hackett met een bajonetcharge de Duitse omsingeling te doorbreken. Er vielen slechts een paar slachtoffers en bij de stellingen van de A compagnie 1st Border kwamen de overlevenden de perimeter binnen. Hackett richtte vervolgens zijn hoofdkwartier in Huize Westerpark ten oosten van hotel Hartenstein, nu de plaats van de Goede Herderkerk, in.

De totale gevechtssterkte van de 4e parachutistenbrigade bedroeg op woensdagavond 21 september 1944 nog 500 man. Dit was inclusief de mannen van het 11e bataljon die van de gevechten in de stad Arnhem waren teruggekeerd. Twee dagen eerder waren 2300 man vanuit Engeland vertrokken.

Tijdens het volgen van de route van het 156e bataljon lopen we door Oosterbeek
Tijdens het volgen van de route van het 156e bataljon lopen we door Oosterbeek

Het 156e bataljon werd vervolgens ingezet in enkele huizen aan de Stationsweg. Het 10e bataljon bezette aanvankelijk vier huizen aan de Utrechtseweg en een aan de Annastraat. Op vrijdag 22 september 1944, toen de huizen aan puin geschoten waren, moesten de 50 overlevenden zich terugtrekken en werden vervolgens divisiereserve. De bataljonscommandant luitenant-kolonel Ken Smythy raakte gewond en werd krijgsgevangen gemaakt. Hij overleed later aan zijn verwondingen.

Het 7e bataljon KOSB nam met 270 man posities in aan de noordoost kant van de perimeter bij hotel Dreyeroord. Na hevige gevechten in en rond het hotel moesten de Schotten zich enkele straten terugtrekken.

Duitse soldaten in de tuinen achter de huizen in Oosterbeek

Duitse soldaten in de tuinen achter de huizen in Oosterbeek