Van 3 t/m 5 oktober 2014 nam ik deel aan de battlefield tour 'De Bevrijding van Zeeland' van de Vrienden van het Airborne Museum. Het was bijzonder mooi weer en het was een genot te mogen genieten van zon, zee en duinen en de Zeeuwse gastvrijheid, naast het bezoeken van bijzondere privé collecties en het duiken in de geschiedenis van oktober 1944 op diverse locaties.

We verbleven in Golden Tulip hotel 'Westduin' op Walcheren, dat vlak bij de duinen en aan zee lag

's Morgens vroeg het hotel uit, een pad volgen door de duinen en vervolgens genieten van een prachtig uitzicht

Deze tour valt in een voor Zeeland gedenkwaardige maand, want het is 70 jaar geleden dat de Slag om de Schelde plaats vond. Een onderbelichte strijd van vijf weken, waarin de Britse, Canadese en Poolse troepen met zware offers de Westerschelde, de toegangsweg naar Antwerpen, te veroveren op de Duitsers. De haven van Antwerpen was voor de geallieerden van cruciaal belang voor de toevoer van troepen en materieel. Zeeuws-Vlaanderen, Zuid-Beveland en Walcheren vormden in het najaar van 1944 het toneel van een ongekende strijd.
Er is in oktober veel aandacht besteed aan de Slag om de Schelde. Omroep Zeeland zond de serie 'Trugkieke 40-45' uit en er verscheen de website Slag om de Schelde met het verloop van de slag van dag tot dag. Ook in het kader van 70 jaar bevrijding het verloop van de bevrijding van Nederland op de site Weg naar de Bevrijding.

De verovering van West Zeeuws-Vlaanderen

Onderweg naar Adegem, België.

We begonnen deze tour met een bezoek aan het Canada-Poland museum in Adgem, België. Een museum met een indrukwekkende collectie dat een beeld geeft van de strijd in Zeeuws-Vlaanderen tijdens operatie Switchback. De 3e Canadese infanteriedivisie onder bevel van generaal-majoor Spry had de opdracht gekregen West Zeeuws-Vlaanderen op de Duitsers te veroveren. Het plan voor de uitvoering was afkomstig van luitenant-generaal Simonds, de tijdelijk bevelhebber van het 1e Canadese leger. Simonds wilde de 7e brigade het Leopoldkanaal laten oversteken bij Eede. Vervolgens zou de vijand in de rug moeten worden aangevallen door vanuit Terneuzen de 9e Brigade in amfibievoertuigen de Braakman te laten oversteken en een landing te laten uitvoeren op de zuidoever van de Westerschelde, net ten westen van de Braakman.

 

De Duitse verdediging

Op 20 september 1944 verklaarde Hitler het gebied tussen het Leopoldkanaal, de Braakman en de Westerschelde tot 'Festung Schelde Süd'. Dat hield in dat in dat gebied tot het uiterste stand gehouden moest worden. Het gebied was bij de geallieerden bekend als 'The Breskens Pocket'.

Generaal-majoor Eberding, was de Festungskommandant. De verdediging berustte bij de 64. Infanterie Division. Deze divisie was gevormd uit militairen op verlof uit Rusland en Italië. Door de oostfrontervaring van velen had de divisie een hoge gevechtskwaliteit. Deze divisie werd zelfs beschouwd als de beste divisie van het 15e Leger. De totale sterkte was 12.700 man, onvoldoende om de Festung optimaal te kunnen verdedigen. Eberding plaatste het merendeel van de troepen langs het Leopoldkanaal, omdat hij een geconcentreerde aanval over het kanaal verwachtte. Hij dacht dat een aanval over de Braakman geringer van omvang zou zijn. Hij zond daarom een Landesschützen Bataillon, ongeveer 300 man, naar Biervliet. De divisiereserve, een bataljon van een parachutisten opleidingsregiment, werd geconcentreerd rond Sluis. 

Soldatenboekje van een lid van het Landesschützen Bataillon

In het westelijk deel van de Festung liep het Leopoldkanaal en parallel daaraan het Afleidingskanaal van de Leie. Alleen een dijk vormde de scheiding tiussen beide kanalen. Het front bestond hier dus uit een dubbel kanaal. De bruggen over beide kanalen in de weg Maldegem-Eede waren opgeblazen. Aan weerszijden van het Leopoldkanaal hadden de Duitsers een reeks van inundaties uitgevoerd, hetgeen de verdediging extra sterk maakte. Aan de zuidoever van de Westerschelde bevonden zich alleen wat wachtposten. Om de verdediging in staat te stellen hun posities zo lang mogelijk vast te houden, waren er enorme voorraden wapens, munitie en voedsel aangelegd.

De aanval van de 3e Canadese Infanteriedivisie

Deze divisie kwam na de val van Calais op 1 oktober 1944 beschikbaar voor operaties tegen de pocket. Op 6 oktober 1944 begon de aanval bij Eede, tussen Strobrugge en Moerhuizen, net ten oosten van de plaats waar het Leopoldkanaal en het Afleidingskanaal van elkaar wijken. Daardoor was de waterhindernis minder zwaar. Doel was het oversteken van het Leopoldkanaal.

De Canadese soldaat M.J. Barratt van de 3e Canadese Infanterie Divisie van Royal Canadian Engineers zit temidden van puin aan de oostkant van het Leopoldkanaal op 16 oktober 1944.

Dankzij de vuursteun van meer dan 300 stukken geschut lukte het de Regina Rifles op de linkerflank en de Canadian Scottish op de rechterflank twee bruggehoofden te vormen. De Duitsers reageerden met zware tegenaanvallen, ondersteund door mortier- en machinegeweervuur. Ook de Marine Kustartillerie nam aan de beschietingen deel voor zover het geschut in een open stelling was geplaatst. De compagnie van de Regina Rifles werd vervangen door een compagnie van het Royal Montreal Regiment, die tot dan toe het hoofdkwartier van het Canadese leger had bewaakt en nu eindelijk gevechtservaring kon opdoen. Rond middernacht werd het reserve-bataljon van de brigade, de Royal Winnipeg Rifles, via een voetbrug overgezet naar het bruggenhoofd van de Canadian Scottish met de opdracht beide bruggenhoofden met elkaar te verbinden, maar ze slaagden daar niet in, ondanks steun van de artillerie en vliegtuigen van de R.A.F. Tot 9 oktober 1944 moest onder erbarmelijke omstandigheden strijd worden geleverd. Toen pas lukte het beide bruggenhoofden samen te voegen. Na een week van zware gevechten was het bruggenhoofd nog maar twee kilometer naar het noorden uitgebreid. Op 14 oktober 1944 werden de Canadezen afgelost door de 157ste Britse Infanteriebrigade, een onderdeel van de Britse 52ste Lowland Division. Ze slaagden er niet in de Duitsers te verdrijven. Het front stagneerde. Pas op 19 oktober 1944, nadat de Duitsers zich hadden teruggetrokken, trokken de britten het zwaar beschadigde Ardenburg binnen.

Leopoldkanaal

Voorafgaand aan de oversteek spuwden 27 Waps (Bren-Carriers die zijn uitgrust met vlammenwerpers) hun vuurstralen op de noordelijke oever.

Dit is zo'n Wasp, Bren Carrier uitgeust met een vlammenwerper.

Deze foto nam ik van het Leopoldkanaal op 3 oktober 2014.

We lopen naar de Duitse bunker aan het Leopoldkanaal.

Duitse bunker aan het Leopoldkanaal.

Duitse bunker aan het Leopoldkanaal

Duitse bunkers aan het Leopoldkanaal

Uitleg van de gevechten aan het Leopoldkanaal toen de Canadezen het kanaal overstaken.

Op 6 oktober begonnen de soldaten van het 7e Canadese Infanterie Brigade van de 3e Canadese Infanterie Divisie de constructie van een “Bailey-bridge” over het Leopoldkanaal tussen Maldegem en Sint-Laureins. Een paar dagen later staken bij de eerste fase van de “Switchback Operation” de Canadezen het kanaal over. De betreffende brug is vermoedelijk één van de laatste resterende en nog steeds in gebruik zijnde Baileybruggen uit de Tweede Wereldoorlog. Lokaal is deze bekend als de "Lievebrug".

Tijdens de uitleg over de strijd aan het Leopoldkanaal stond deze voorbijganger aandachtig mee te luisteren. Hij bleek dichtbij het Leopoldkanaal te wonen en was als jongen van 11 ooggetuige van de gebeurtenissen. De man met de camcorder is uw webmaster.
Operatie Switchback was een landing in de rug van de Duitsers op de kust van Zuid-Beveland aan de Westerschelde. De landing werd uitgevoerd met Buffalo's en Terrapins. Een Buffalo De LVT-4 werd uitgerust met een laadklep. Er was ruimte voor 30 man of een licht voertuig. Van dit type ontving Groot Brittannië 500, waar het bekend stond als de 'Buffalo'. Heel veel Britse 'Buffalo's' werden ingezet tijdens de aanval op Walcheren, in 1944, om de Schelde veilig te stellen richting Antwerpen.

Op 7 oktober 1944 gingen de troepen in Gent aan boord om via het kanaal van Gent naar Terneuzen naar Terneuzen te varen. Door omstandigheden was de aankomst in Terneuzen later dan verwacht, waardoor de landing moest worden uitgesteld. Dit gaf de Duitsers de gelegenheid zich langer te richten op de 7e Brigade aan het Leopoldkanaal. Kort na middernacht op 9 oktober 1944 vertrok de vloot van 96 Buffalo's naar de noordoostkant van Festung Schelde Süd. De Hithland Light Infantry ging om 02.00 uur aan land op Amber Beach, ten westen van de monding van de Braakman, terwijl het North Nova Scotia Regiment landde op Green Beach, vijf kilometer ten oosten van het dorpje Hoofdplaat. Deze landing kwam als een volkomen verrassing. Beide infanterie bataljons verstevigden hun bruggenhoofden en de Buffalo's keerden terug naar Terneuzen om het reserve-bataljon, de Stormont, Dundas en Glengarry Highlanders plus zware mortieren op te halen. De Stormonts landden om 10.30 uur op Green Beach. Maar de Duitsers boden later toch hevige tegenstand, zodat pas op 10 oktober 1944 Hoofdplaat kon worden ingenomen. De Highland Light Infantry veroverde op 11 oktober 1944 met behulp van vlammenwerpers Biervliet.

Generaal-majoor Spry had intussen besloten om de 8e Infanteriebrigade ook te laten landen op de noordoosthoek van de Pocket. Op 14 oktober 1944 trok de brigade naar het zuiden met de opdracht om samen met de 4e Tankdivisie de doorgang over land ten zuiden van de Braakman bij Isabella Polder te veroveren. Nog dezelfde dag, na de verovering van Watervliet, ontruimden de Duitsers hun stellingen bij Isabella Polder, om omsingeling te voorkomen. Daardoor hadden de Canadezen eindelijk de hindernis van het Leopoldkanaal genomen, waarmee een einde kwam aan het amfibische gedeelte van de operatie. De oversteek over de Braakman, aanvankelijk bedoeld als secundaire missie, bleek uiteindelijk de meest succesvolle actie te zijn in de strijd om de Breskens pocket. De Duitsers trokken zich terug op hun tweede verdedigingslinie die liep van Breskens naar Schoondijke, dan naar het zuidwesten via Oostburg en Sluis en vervolgens langs het kanaal Brugge-Sluis naar het Leopoldkanaal. Om levens van Canadese soldaten te sparen is zwaar geschoten met artillerie en hevig gebombardeerd. Hierdoor werden vooral Breskens, Oostburg, Schoondijke, IJzendijke en Sluis zwaar getroffen met veel doden onder de burgerbevolking.

De 9e Brigade moest Breskens veroveren. De Duitsers hadden Breskens in staat van verdediging gebracht met een anti-tank gracht, mijnenvelden, prikkeldraad en bunkers. Het bataljon van de Stormont, Dundas en Glengarry Highlanders zou ondersteund worden door een squadron van de 79ste Tankdivisie, uitgerust met Flail-tanks om paden door mijnenvelden te maken, AVRE's om bunkers uit te schakelen en vlammenwerpers. Echter, voor de start van de aanval ontplofte bij het tanken van de brandstof en het laden van munitie een auto met springstof waardoor het squadron werd uitgeschakeld. Om die reden stelde het brigadehoofdkwartier de aanval 24 uur uit. Op 21 oktober 1944 begon de aanval. De infanterie slaagde er vrij gemakkelijk in de Duitse stellingen te doorbreken. Beschieting van Duitse artillerie vanaf Walcheren werd beantwoord door eigen artillerie en Typhoons. Toen de infanterie eenmaal de weg vrijgemaakt had voor de Crocodiles, de gepantserde vlammenwerpers, konden de Canadezen snel oprukken en was Breskens tegen de avond Canadees.

Een vrouw loopt door het verwoeste Sluis

De Buffalo was een Amerikaans amfibievoertuig met rupskettingen en een lichte bepantsering aan de voorzijde. Afhankelijke van het type kon het 24 tot 30 man vervoeren of een jeep, een 6 pounder anti-tank kanon of een Bren-Carrier.

De Terrapin was een Brits amfibievoertuig op acht wielen, vooral geschikt voor vrachtvervoer.

Buffalo en Terrapin op 13 oktober 1944

 

Eede, waar koningin Wilhelmina de Nederlandse grens overstak

Onderweg naar Breskens, waar we met een veerboot zouden overvaren naar Vlissingen, maakten we een stop in Eede bij het monument dat herinnert aan het feit dat koningin Wilhelmina hier op 13 maart 1945 voor het eerst na vijf jaar voet zette op Nederlandse bodem na haar verblijf in Engeland tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Op de plaats waar deze witte paal staat liep koningin Wilhelmina op 13 maart 1945 over de Nederlandse grens, gemarkeerd door een witte streep van meel.

Dezelfde locatie in 1945

De Braakman

Van Eede reden we naar de Braakman. Er staan wel monumenten maar verder is er weinig origineels uit 1944 meer te zien. Bij de Braakman is de situatie ook geheel veranderd maar men kon zich toch wel een voorstelling maken hoe de oversteek van de Canadezen geweest moet zijn. Breskens was de laatste plaats in Zeeuws-Vlaanderen die bezocht werd. Ook deze plaats was geheel verwoest in 1944.

Uitleg aan de Braakman

 

Oversteek Breskens - Vlissingen

Vervolgens reden we naar Breskens om met een fast-ferry over te varen naar Vlissingen om daar de battlefield tour voort te zetten. We zagen dezelfde kustlijn als in 1944, maar toen waren de omstandigheden veel dramatischer.

De haven van Breskens waar we wachten op de veerpont.

Wachten op de fast-ferry die op weg was naar de haven van Breskens.

Tijdens de overtocht van Breskens naar Vlissingen was het genieten van het mooie weer en de Westerschelde en van het mooie uitzicht op Vlissingen dat toch wel heel anders was dan in 1944.

Bij het naderen van Vlissingen zag ik de mooie Oranjemolen die zo vaak te zien is op opnamen van de amfibische landing van Britse, Nederlandse en Franse commando's van het No. 4 Commando op 1 november 1944.

De strijd om Walcheren

De verovering van Walcheren vormde het sluitstuk van het uit drie delen bestaande plan voor de ontsluiting van de Scheldemonding. De eerste stap was de verovering van de Breskens Picket, de tweede stap was het veroveren van Zuid-Beveland en de Sloedam. De derde stap tenslotte het veroveren van Walcheren. Maar dit was bijzonder gecompliceerd want de Duitsers hadden van Walcheren een versterkte vesting gemaakt met bunkers, versperringen en inundaties, want de verdediging van Walcheren maakte deel uit van de Atlantikwall, de Duitse verdedigingsmuur die liep van Noorwegen tot Spanje. De Festung Walcheren werd verdedigd door de 70ste Infanteriedivisie onder bevel van luitenant-generaal Daser. Voorts bevonden zich twee regimenten artillerie, afkomstig van de Kriegsmarine, elk 800 man sterk, op Walcheren. De Marine-Artillerie-Abteilung 202 beschikte over 27 vuurmonden die met uitzondering van de batterij bij Oostkapelle in staat waren een schip op de Westerschelde tot zinken te brengen. De Marine-Flak-Abteilung 810 was vooral geconcentreerd rond Vlissingen. Ook was er het Festung-Stamm-Truppen-Regiment, bestaande uit oudere en herstellende miitairen van het oostfront. Deze eenheid was op oostelijk Walcheren gelegerd.

De kracht van de Duitse verdediging was het grote aantal bunkers op het eiland. De verdediging bestond uit een linie langs de kust van Veere via Westkapelle naar Vlissingen en een verdediging rondom Vlissingen. De kuststrook was voorzien van allerlei obstakels, versperringen en mijnenvelden. De verdediging van de marine-kustbatterijen gebeurde niet door infanteristen maar door de artilleristen zelf. Die moesten hun stellingen ook verdedigen tegen aanvallen over land.
De Duitsers hadden rond Vlissingen een verdedigingslinie gebouwd. Toen we bij Vlissingen reden zagen we nog bunkers staan rond de stad.
In de oorlogsjaren hadden de Duitsers een Wehrmachtheim in Vlissingen zoals overal in grote steden waar veel militairen gelegerd waren. De militairen konden na hun dienst daar hun vrije tijd doorbrengen.
Na de strijd in Vlissingen poseren de overwinnaars, samen met Nederlandse mannen uit het verzet voor het voormalige Wehrmachtheim in Vlissingen.
De Duitsers brengen hun verdediging in stelling bij het naderen van de geallieerden. Hier plaatsen militairen springstoffen op een brug in Vlissingen.

 

Duitse kustbatterij voor de kust van Vlissingen

Westerschelde ligt vol met mijnen. Op alle stranden zijn mijnen en tal van versperringen die een landing onmogelijk maken. De duinen zijn volgebouwd met kustbatterijen die de hele Scheldemond bestrijken. Alle scheepvaartverkeer richting Antwerpen ligt binnen het bereik van het zware geschut van de Duitsers. Voor de verdediging van de kust is de Marine-Artillerie-Abteilung verantwoordelijk. Daaronder vallen onder meer vier luchtdoelbatterijen bij Zwanenburg, Vrijburg, Fort de Ruyter en Fort Frederik Hendrik.

 
Tobruk in Kernwerk Vlissingen Naast de G-Kazemat aan de Vlissingse Buitenhaven bevinden zich twee bunkers, een tobruk en een stuk niet meer zichtbare loopgraaf. Het terrein is tegenwoordig het trainingscentrum van de Vlissingse brandweer en niet toegankelijk voor publiek.
De tobruk waarin een mobiele vlammenwerper geplaatst kon worden
ligt tussen de twee bunkers (M 170 en 114 A-Neu) van "Kernwerk Vlissingen".
Van dit Kernwerk Vlissingen is een uitgebreide beschrijving te lezen op www.bunkerbehoud.com


Deze drakentanden (höckers) fotografeerde ik bij Valkenisse.

Tankgracht en drakentanden

Vlissingen is door een tankgracht omgeven, waarbij van de watergangen gebruik is gemaakt. Bij Klein-Valkenisse en Abeele staan ook drakentandversperringen. Het strategische doel Vlissingen wordt tijdens de oorlog de meest gebombardeerde stad van Nederland.
Op zijn inspectietocht langs de Atlantikwall bezocht generaal Erwin Rommel ook het landfront Vlissingen. Het Landfront Vlissingen is een verdedigingslinie uit de Tweede Wereldoorlog die de havenstad Vlissingen tegen aanvallen vanaf de landzijde moest verdedigen. De linie werd in de jaren 1942-1944 op systematische en planmatige wijze gebouwd door de Duitse bezetter.
Het Landfront Vlissingen heeft een lengte van circa 15 kilometer en bevindt zich op het grondgebied van de drie gemeenten Veere, Middelburg en Vlissingen. De linie bestaat uit een tankgracht, verschillende typen bunkers, een anti-tankmuur en zogenaamde Drakentanden (piramidevormige tankversperring).

Op een aantal bunkers en enkele gedempte stukken van de tankgracht na, is het Landfront nog compleet. Het landschap rond Vlissingen is daarmee de enige plek in Europa waar nog duidelijk een Landfront zichtbaar is. Vanwege het unieke karakter van het Landfront Vlissingen is een aanvraag ingediend tot aanwijzing als Rijksmonument.
 

Generaal Rommel inspecteert de Atlantikwall

Luitenant-generaal Simonds beschouwde de laatste stap als de moeilijkste. Hij ging er van uit dat de Duitsers gebieden onder water zouden zetten om hun verdediging te versterken. Simonds stelde daarom als passende tegenmaatregel voor de zeedijken van Walcheren te bombarderen en zo het eiland grotendeels onder water te zetten. Bomber-Command was aanvankelijk zeer terughoudend maar Simonds overtuigde hen door te wijzen op de grote verliezen die anders verwacht moesten worden. Op 1 oktober 1944 ging het geallieerde hoofdkwartier akkoord, echter zonder de Nederlandse regering te informeren. Vervolgens waren twee amfibische operaties gepland.

Infatuate I: de 155e (Lowland) Brigade, voorafgegaan door 4 Commando landt vóór het aanbreken van de dag bij Vlissingen. Zodra de commando's een bruggenhoofd gevormd hebben, trekt de infanterie door de eigen linies en zuivert de stad. Daarna rukt men op richting Middelburg en maakt contact met de 157e Brigade die aanvalt vanuit Zuid-Beveland.

Infatuate II: de 4e Special Service Brigade, minus 4 Commando, vestigt een bruggenhoofd bij Westkapelle en trekt daarna via de duinenrand op naar Vlissingen en schakelt alle kustbatterijen tussen Westkapelle en Vlissingen uit. Daarna keert men terug naar Westkapelle en trekt dan op langs de noordwest kust van Walcheren tot aan Vrouwenpolder en schakelt alle batterijen langs de noordwest kust uit. De aanval zou plaatsvinden op 1 november 1944, bij Vlissingen om 05.45 uur en bij Westkapelle vier uur later. De 155e Brigade en 4 Commando moesten vanuit Breskens de Schelde oversteken in aanvalsboten. Deze werden vanuit Engeland per schip, dan per trein en vervolgens over het water naar Breskens gebracht. De 4e Special Service Brigade ging in Oostende aan boord van grotere schepen, LCT's (Landing Craft Tank) en zouden dicht onder de kust overstappen in LVT's (Landing Vehicle Tracked), geschikt voor het vervoer van 30 infanteristen, beter bekend als Buffalo's.

De organisatie bij de commando's verschilde met die van de rest van het leger. Een brigade telde vier commando's, elk bestaande uit vijf troops van twee secties. Daarnaast beschikte elk commando nog over een ondersteunings troop met zware wapens. Een troop telde 65 man. Commando's die deelnamen aan de gevechten op Walcheren nummerden hun troops, commando's van de Royal Navy duidden hun troops aan met letters. 10 (Inter-Allied) Commando bestond uit vrijwilligers afkomstig uit bezette Europese landen, zoals Belgen, Fransen, Nederlanders en Noren. Voor deze operaties werden de twee Franse Troops No 1 en No 8 toegevoegd aan 4 Commando. Verder waren er 11 Nederlandse commando's van No 2 (Dutch) Troop No 10 (I.A.) Commando aan toegevoegd. Een Belgische Troop No 4 en een Noorse Troop No 5 met 14 Nederlandse commando's van No 2 (Dutch) Troop versterkten 41 (Royal Marines) Commando.
Nederlandse command's van No 2 Troop tijdens de strijd om Walcheren. Van links naar rechts: sergeant W.G. van Gelderen, korporaal J.C. van Woerden, korporaal L. Persoon, 2e luitenant C. de Ruiter.
Bommen op de zeedijken

Om de Duitse verdediging te verzwakken was besloten de zeedijken te bombarderen en de polders op Walcheren onder water te zetten. Een omstreden plan, waarin de Nederlandse regering in Londen niet werd gekend. Met pamfletten werden de bewoners gewaarschuwd een goed heenkomen te zoeken, maar men wist niet eens waar naar toe.

Molen De Roos in Westkapelle werd getroffen door bommen. In deze molen hadden veel burgers bescherming gezocht. De molen stortte in en het puin versperde de uitgang. 47 mensen kwamen in de molen om het leven. In Westkapelle vonden in totaal 157 mensen de dood.

Reddingswerkers zoeken wanhopig naar de slachtoffers in de kelder van de verwoeste molen De Roos, 3 oktober 1944

Achter de vuurtoren van Westkapelle ligt deze begraafplaats van de tijdens het bombardement van Westkapelle omgekomen burgerbevolking.

 

Op 2 oktober werpen twee Amerikaanse B-17 bommenwerpers pamfletten boven Walcheren. De strooibiljetten waarschuwen tegen een komende luchtaanval, maar vermeldt eveneens dreigend: 'Niet alleen een luchtbombardement maar het gevaar voor overstroming bedreigt eveneens uw leven.' De Walcherse bevolking wordt daarom aangeraden om te vluchten. Maar waarheen de bewoners moeten uitwijken wordt er niet bij verteld. Op de hoger gelegen gebieden zitten de Duitsers, en zij hebben de Sloedam, de verbinding met Zuid-Beveland en de enige route naar veiliger oorden, afgesloten. Al midden op de volgende dag (3 oktober) gooien snelle Britse Mosquito-bommenwerpers rookbommen af bij Westkapelle. De rook fungeert als markeringspunt voor 243 Britse zware Lancaster-bommenwerpers die hun last op en rond de Westkapelse zeedijk laten vallen. De dijk breekt. Maar één dijkgat blijkt niet voldoende om heel Walcheren onder water te zetten. Op 7 oktober volgen daarom aanvallen op de zeewering aan weerskanten van Vlissingen en op 11 oktober is de dijk bij Veere het doelwit van de Lancasters.

Een in Buffalo-amfibievoertuigen ingescheepte brigade vult de 'Zak van Breskens' aan vanuit Terneuzen. Ze varen tot achter de Duitse linies die onder zwaar artillerievuur liggen. Op 1 november in de vroege ochtend verlaten tientallen landingsboten onder dekking van een rookgordijn het Breskense havenhoofd. Aan boord: Britse, maar ook Nederlandse en Franse commando's. Hoe onwaarschijnlijk ook, de Duitsers laten zich verrassen. De tweede landingsgolf die iets meer naar het westen aan land moet, komt wèl onder zwaar Duits vuur te liggen. Toch is tegen de middag de helft van Vlissingen bevrijd. De Duitse commandant in Vlissingen, kolonel Reinhardt, geeft zich op 3 november over. Bij Westkapelle, aan beide zijden van het gat in de dijk, landen terzelfdertijd commando's. Pas twee dagen later maken de Vlissingse en Westkapelse invasietroepen contact in het badplaatse Zoutelande. De Canadezen op Zuid-Beveland zien kans om met hulp van een Nederlandse gids door het ondiepe water van het Sloe te waden. De Sloedam is te goed verdedigd. Acht Buffalo's rijden op 6 november van Vlissingen door het water naar Middelburg. De Duitse commandant Daser geeft zich over.
In Vrouwenpolder, aan de noordpunt van Walcheren, geven de laatste Duitsers zich op 8 november over. 'Om 8 uur 37 meldt onze laatste zender op het eiland Walcheren zich af,' stelt het oorlogsdagboek van het Duitse opperbevel op die dag.

Vlissingen

Vlak nadat de "Black Watch" hun aanval bij de Sloedam waren begonnen, formeerde de aanvalsvloot zich voor de landing bij Vlissingen. Artillerie, opgesteld rond Breskens, gaf voorafgaand aan de landingen vuur en bombardeerde de Duitse stellingen rondom de stad.

In de nacht van 31 oktober op 1 november werden de landingen uitgevoerd bij het zogenaamde Slijkhaventje (dat de codenaam Uncle Beach had gekregen). De stormloop van de commando's was effectief en binnen vijf minuten werd een 7,5cm kanon buitgemaakt. Rond half zeven stonden alle manschappen van het 4e commando (550 man) aan land. In Vlissingen ontstonden felle straatgevechten toen de commando's hun doelen in de stad probeerden te bereiken. Korte tijd later landde het 4e bataljon (de "King's Own Scottish Borderers") en andere eenheden van de 155e brigade onder commando van brigadegeneraal McLaren, ten koste van ernstige verliezen. Nadat het licht was geworden, werd de situatie op Uncle Beach een hel. De Duitsers bombardeerden de plaats onophoudelijk met hun artillerie. Ook de ondergrondse wierp zich in de strijd en wist beslag te leggen op de bevelen om de scheepswerf van de Maatschappij "De Schelde" te vernielen. Door het onderscheppen van die bevelen bleef de werf dit lot bespaard.
Op 2 november hadden de Duitsers hun verdediging geconcentreerd op de boulevard, met als belangrijk onderdeel een grote bunker ten zuidwesten van de stad. Na een aanval door jachtbommenwerpers met raketten slaagden de commando's erin de bunker te veroveren. Op 3 november viel de stad.

De "Royal Scots" (de laatst gelande eenheid) bestormde het tot een fort herschapen hotel Brittannia aan de Boulevard Evertsen. Hierin was het hoofdkwartier van de Duitse garnizoenscommandant (kolonel Reinhardt) gevestigd. Pas na een urenlange strijd gaf Reinhardt zich gewonnen en was Vlissingen bevrijd.

De boulevard van Vlissingen na de strijd

De zaterdag werd het team gidsen uitgebreid met John Daane, een plaatselijke gids die ook enkele bunkers van de stelling Dishoek weer aan het inrichten is. Eerst werd het landingsterrein Uncle Beach bij Vlissingen bekeken. Ook hier is de omgeving niet meer hetzelfde als in 1944. We bezochten ook nog deze vesting Oostbeer 1812, dat niets met de Tweede Wereldoorlog te maken heeft maar alles met de Franse tijd van Napoleon.

We bekeken de plaquette op de muur van vesting Oostbeer 1812.

Uncle Beach met Oranjemolen te Vlissingen

Mooi gezicht om vanaf Uncle Beach de schepen naar de haven van Antwerpen te zien varen.

Marineschip in de haven van Vlissingen

Vervolgens reden we langs voormalige werf De Schelde waar toen het schip de Willem Ruys in aanbouw was en de Boulevard met het Duitse hoofdkwartier Hotel Brittania naar Klein Valkenisse. Onderweg kwamen we verschillende Duitse bunkers tegen die Vlissingen moesten beveiligen. Bij Valkenisse was nog een deel ven de Duitse versperringen, de Höckerlinie, aanwezig. Nabij Valkenisse werden enkele bunkers bekeken waarna de tour verder ging naar Westkapelle. Het monument en de resten van het dijkgat zijn als altijd indrukwekkend. De gidsen gaven daar een uitleg over de gevechten zowel bij de dijk als in het dorp.

Het verwoeste Westkapelle

De invasievloot nadert Westkapelle

 

De Landing bij Westkapelle

Om kwart over drie verliet, in de nacht van 31 oktober op 1 november, de vloot Oostende voor de landing bij Westkapelle. Door het slechte weer kon ook hier geen voorafgaand luchtbombardement worden gegeven en moest de meegebrachte scheepsartillerie het zonder luchtwaarneming doen. Toen de vuurtoren van Westkapelle werd waargenomen, namen de schepen hun posities in: de landingsvaartuigen kozen positie voor de aanval en de oorlogsschepen (waaronder het Britse slagschip Warspite en 2 kanonneerboten) namen hun plaats in voor het scheepsbombardement. Zodra deze schepen het vuur openden, beantwoordden de Duitse kustbatterijen het vuur onmiddellijk. Omdat de oorlogsschepen op deze manier het vuur naar zich toetrokken, konden de landingsvaartuigen relatief ongemoeid de kust naderen. Rond tien uur lieten de landingsvaartuigen hun kleppen neer, gingen de Buffalo's te water en voeren door het gat in de dijk Walcheren binnen. Kort na de middag was de batterij op de noordelijke dijk (W 15) veroverd en werd Westkapelle bevrijd.
De zuidelijke dijk werd ook fel verdedigd door de Duitsers, maar de batterij aan deze kant kwam zonder munitie te zitten, een gevolg van de gebrekkige aanvoer van voorraden en munitie nadat Walcheren onder water kwam te staan. Daarna werd de stuksbemanning na een korte schermutseling met handwapens uitgeschakeld en hadden de geallieerden een stevig bruggehoofd in handen.
Vanuit dit bruggehoofd trok het 41ste commando noordwaarts en veroverde dezelfde dag nog Domburg. Het 48e commando, op de zuidelijke dijk, trok in de morgen van de 2de november op (met in de spits de bij hen ingedeelde Nederlanders) en moest een zware slag leveren bij Dishoek. De Duitse batterij (W 11) die hier stond opgesteld, moest worden uitgeschakeld, omdat het de bevoorrading via Westkapelle bemoeilijkte. Na lange en dure strijd wisten de commando's 's avonds de batterij binnen te dringen en na nachtelijke gevechten was de batterij in de ochtend veroverd. De overige batterijen bleken minder verzet op te leveren en in de loop van de avond werd het dijkgat bij Vlissingen bereikt.
Het 41e commando, dat noordwaarts trok, kwam na de verovering van Domburg vast te zitten. Pas nadat een viertal tanks versterking brachten, kon de aanval worden ingezet op de batterij W 18, vlak onder Oostkapelle. Drie dagen duurde de strijd hier, waar de Duitse verdedigers de bosrijke omgeving bijzonder goed ter verdediging hadden ingericht en de omgeving met mijnenvelden hadden beschermd. Op 6 november legde de verdediging de wapens neer en op 8 november werd de laatste weerstand op het eiland gebroken.

Buffalo's op het strand van Westkapelle

De Commando's zijn geland op het strand van Westkapelle

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Commando's zijn geland bij Westkapelle

Duitsers worden krijgsgevangen gemaakt

Commando's rukken op in Westkapelle

Het strand van Westkapelle

Monument met Sherman tank herinnert aan de geallieerde landing bij Westkapelle

 

Bezichtiging Duitse verdedigingswerken in de duinen van Valkenisse

De duinen en het strand bij Valkenisse

Uitleg door onze gids John Daane over de verdedigingswerken in de duinen van Valkenisse.

 

Batterie Dishoek

Na de lunch reden we in een grote boog via Middelburg naar de batterij Dishoek. Daar werden we rondgeleid door de resten van de stelling en konden ook enkele verdedigingswerken van binnen bekeken worden.

We bezoeken eerst de medische bunker met de collectie van John Daane

Heerlijke koffie

Vervolgens gaan we bunkers bekijken in de duinen van Dishoek

 

De Sloedam

Canadese Bren-Carrier rijdt door Krabbendijke

 

De Slag om de Sloedam (Engels: Battle of Walcheren Causeway) was een onderdeel van de Slag om de Schelde tussen de 5e Canadese Infanteriebrigade, delen van de 52e (Laagland) Divisie en de Calgary Highlanders en de troepen van het Duitse 15e Leger in 1944. Het was een van de verschillende slagen die uitgevochten werden rond het eiland Walcheren tijdens de Slag om de Schelde. Op 31 oktober 1944 was het gehele gebied rond de Westerschelde, met uitzondering van Walcheren, ontrukt aan Duitse controle. De kustbatterijen van Walcheren waren echter in staat elk vrachtschip het water uit te blazen, zodat het bezit van de Antwerpse haven vanuit logistiek oogpunt nog steeds irrelevant was.
De 2e Canadese Infanteriedivisie was vanuit Brabant het schiereiland Zuid-Beveland ingetrokken. Al marcherend en vechtend hadden zij tegen 31 oktober alle tegenstand opgeruimd. Zuid-Beveland was verbonden met Walcheren via de smalle Sloedam, 40 meter breed en 1600 meter lang.
Plannen om aanvalsboten in te zetten voor de aanval over de Sloe werden verijdeld door de modderige omstandigheden waarin de boten niet konden opereren. De Calgary Highlanders waren geselecteerd voor deze amfibie-operatie, aangezien zij in het Verenigd Koninkrijk getraind waren in het gebruik van stormboten. Deze training was echter gericht op een aanval over de Seine maar men was al over de Seine voor de Highlanders arriveerden. In dit geval was de grond te moerassig om de boten te kunnen gebruiken zodat zij als gewone infanterie ingezet werden bij de grondaanval over de Sloedam. De "C"-compagnie van de The Black Watch (Royal Highland Regiment) of Canada was de eerste eenheid die de Sloedam bestormde. Hun stormloop werd echter tot staan gebracht en ze leden zware verliezen.[2] Gedurende de aanval ontdekten zij een diepe krater in de dam. De bovenzijde van de dam was door de Duitsers gedeeltelijk opgeblazen om te dienen als tankversperring. De Canadezen gebruikten de krater later als compagnies-commandopost.
De "B"-compagnie van de Calgary Highlanders waren de volgenden om ten aanval te trekken. Zij werden echter op soortgelijke bloedige wijze halverwege de dam gestuit. Een nieuwe beschieting werd voorbereid en majoor Bruce McKenzie's "D"-compagnie kroop voorwaarts onder zwaar vuur. Zij bereikten dit keer wel de westzijde van de dam en stelden die veilig in de morgen van 1 november.
De Duitsers ondernamen herhaaldelijk zware tegenaanvallen, waarbij onder meer vlammenwerpers werden ingezet tegen de Canadezen. Op een gegeven moment waren alle officieren van de "D"-compagnie gedood of gewond, waarop majoor George Hees het commando overnam.
Compagnies sergeant-majoor "Blackie" Laloge van de Calgary Highlanders kreeg vanwege zijn bijdrage aan de gevechten de Distinguished Conduct Medal toegekend. De gevechten vonden op zulke korte afstand plaats dat hij Duitse handgranaten terug kon gooien voor zij te midden van zijn manschappen ontploften.
Twee pelotons van Le Régiment de Maisonneuve namen op 2 november het bruggenhoofd op Walcheren over. Zij werden echter spoedig teruggedrongen tot op de dam. Een bataljon Highlanders kreeg opdracht door de linies heen aan te vallen, maar zij waren niet in staat het bruggenhoofd op het eiland uit te breiden. Landingen door Britse commando's van de 4e Commando Brigade beslisten ten slotte over het lot van de Duitse verdedigers op Walcheren. Vanaf zee voerden zij hun landingen uit bij Westkapelle en Vlissingen. Daarmee werd de slag om de Sloedam een kostbare, en uiteindelijk onnodige, afleidingsmanoeuvre. De 2e Canadese Infanteriedivisie ging in reserve in de eerste week van november. Zij betrokken het Saillant van Nijmegen om daar de winter door te brengen. De Calgary Highlanders verloren 64 man aan doden en gewonden in de drie dagen van gevechten op de Sloedam. Le Régiment de Maisonneuve kende 1 dode en 10 gewonden. "The Black Watch" verloor 85 man in de periode van 14 oktober tot 1 november 1944. De meesten van hen werden gedood of gewond bij de gevechten rond de Sloedam.

Op zondag reden we naar de Sloedam. Hoewel dit nu niet meer een echte dam is, het terrein ernaast is drooggelegd, konden we ons na de uitleg van John goed een voorstelling maken van de pogingen van de Canadese om de dam te veroveren. Vervolgens gingen we naar de Canadese begraafplaats bij Bergen op Zoom. Daar liggen een groot deel van de Canadezen die bij de verovering van Zeeuws-Vlaanderen zijn gesneuveld begraven.
 

 

Canadese begraafplaats Bergen op Zoom

Na ons bezoek aan het monument op de Sloedam reden we naar de Canadese begraafplaats bij Bergen op Zoom. Een indrukwekkend bezoek. We zagen de graven van zovele jonge Canadezen die gesneuveld zijn voor onze vrijheid.