Het boek 'Opmars naar de Rijn''. Bevat meer dan 500 illustraties, waaronder 40 kaarten en schema's, exclusieve luchtopnamen, archief- en hedendaagse foto's. Mooi boek met opmerkelijke foto's, vooral de luchtopnamen. Nu op ARS Website.

Deze M4A1 (76 mm) Sherman tank is een gedenkteken voor de strijd rond Nancy, een tiendaagse strijd waarbij de stad werd bevrijd en de bruggen over de Moezel en de Meurthe werden gered.

Een M4A4 gedenkt de slag bij Arracourt, waar de 4th Armored Division een tegenaanval van de 5. Panzerarmee afsloeg.

De heuvels van Spicheren, ten zuidwesten van Saarbrücken, vielen pas op 21 februari 1945, toen die inmiddels behoorden tot het front van het Zevende Leger. Mannen van de US 70th Infantry Division ('Trailblazers') die het dorp innamen herdachten die gebeurtenis in 1997 met het plaatsen van een M24 Chaffee tank als gedenkteken.

Batterij Oldenburg bij Calais

Sainte-Maxime viert de bevrijding

Een Amerikaans konvooi rijdt door de straten van Cherbourg

Mont Saint-Michel kwam de oorlog ongeschonden door en er zijn weinig verschillen te bespeuren tussen toen en nu.

Na de landingen hielden de Duitsers de geallieerden enkele weken ingesloten, maar ten koste van veel verliezen. De toestroom van troepen en materieel van over het Kanaal en de onafgebroken luchtaanvallen en gevechten verzwakten de Duitse weerstand. Toen de geallieerde uitbraak kwam, konden de Duitsers daar weinig tegen doen. Het zwaar gehavende Argentan werd op 20 augustus 1944 door de US 80th Infantry Division bevrijd.

De bevelhebber van het Canadese II Corps, Guy Simonds, kijkt vanuit zijn stafauto toe hoe Shermans van het Canadese Grenadier Guards (het 21st Canadian Armd Regt) op 28 augustus 1944 de Seine oversteken bij Elbeuf.

Een General Motors Staghound-pantserwagen van de XIIth Manitoba Dragoons steekt op 28 augustus 1944 een baileybrug over bij Elbeuf. Soldaten lossen bielzen om het wegdek te verstevigen.

Landingsmonument in Pampelonne (Ramatuelle) bij Saint-Tropez.

De Atlantikwall langs de kust van het departement Pas de Calais behoorde tot de zwaarst verdedigde delen en het gebied rond Boulogne, Cap Gris Nez en Calais was bezaaid met elk denkbaar type emplacement.

In de loop van de tijd is de Atlantikwall deels onder het zand verdwenen. Deze bunker ligt ten zuiden van Boulogne, onderdeel van Stützpunkt Obelisk. De twee grote bunkers zijn een R612 (A) Schartenstand für Land und Sturmgeschütze, een kazemat met een groot kanon, en een R502 (B) Doppelgruppenunterstand, een personeelsbunker. Links is een stelling voor een 5 cm KwK (C).

Stützpunkt 265 Lungenkraut. Dicht bij het dorp Équihen, ten zuiden van Boulogne, liggen de overblijfselen van vijf ongewone SK-bunkers (SK = Sonderkonstruktion), onderdeel van het navigatiesysteem van de Luftwaffe FuG 121 Erika. Ze liggen ook bij Saint-Pierre-Église op Cotentin. Door te luisteren naar de twee stations konden vliegtuigen hun precieze positie bepalen tot op 400 meter. Hier bevinden zich ook enkele FlaK-stellingen.

Tussen Équihen en Le Portel ligt Kriegsmarine Station Nessel. Het heeft een V143 bunker die was uitgerust met een Mammut-radarstation. Mummut was 's werelds eerste fasegestuurde radarsysteem. Naast de V143 staan twee R622-bunkers voor de bemanning en zes bunkers L401-bunkers die zorgden voor de Flak-luchtafweer. Zij konden 8,8 cm of 10,5 cm AA-kanonnen huisvesten. In het midden een commandopost.

Stützpunkt 259 Pechnelke had vier R671-emplacementen, alsmede een 9,4 cm FlaK-emplacement en een aantal personeelsbunkers, waaronder een ziekenhuisbunker.

Op 13 september 1944, nog geen maand nadat met Operatie Dragoon 9000 parachutisten en 90.000 soldaten over zee waren aangekomen, ontmoetten verkenners van de 6th Army van Pattons Derde Leger de Franse troepen van Patch's Zevende voor het stadhuis van Autun.

Hetzelfde stadhuis, 70 jaar later, met de vlag van de Vrije Fransen.

Op 18 augustus 1944 namen de Canadezen Falaise in.

Drie hoge militairen: Patton, Bradley en Montgomery. Zij leidden de grootste amfibische operatie ooit, vernietigden het vijandige leger en bereikten binnen vier maanden de Duitse grens; een buitengewone prestatie.

Toen het Derde leger Lotharingen naderde, leek alleen brandstofgebrek het te kunnen stoppen. Op 31 augustus 1944 stak het XX Corps bij Verdun de Maas over, na een opmars van 650 kilometer vanaf Normandië, maar toen was de benzine al bijna op. Verder naar het zuiden kreeg de 4th Armored het bevel om door te stoten totdat de tanks droogstonden om dan te voet verder te gaan. Het Derde Leger werd aangevoerd door het XII en XX Corps; hier hergroeperen pantservoertuigen van dat korps zich op 17 augustus 1944 bij Chartres.

Begin september 1944 stond het Derde Leger aan de Moezel. Na zware gevechten had het XII Corps een bruggenhoofd over de rivier geslagen. Hier passeert een jeep van de 4th Armored Division een medische jeep van de 35th Infantry.

Na de snelle opmars door Frankrijk raakte het Derde Leger eerst in de slag om Metz en toen onderweg naar de Duitse grens in hevige gevechten gewikkeld, met zware verliezen aan beide zijden. De aanval op de goed verdedigde stad Metz en zijn kring van forten - waarvan het laatste standhield tot half december - was exemplarisch voor de strijd. De stad werd uiteindelijk ingenomen na aanvallen vanuit het oosten.

De slag om Metz begon eind september 1944, maar pas op 18 november 1944 slaagden Amerikaanse troepen erin de stad binnen te trekken. Metz capituleerde op 22 november 1944, al hielden de forten het nog langer vol.

M10-antitankvoertuig in Metz

Na Metz waren de volgende stapstenen naar het Reich de steden van het Saarland, zoals Saarlautern (dat nu weer Saarlouis heet) en Saarbrücken, waarvan de verdediging werd ondersteund door de versterkingen van de Westwall. Dit M10-antitankvoertuig werd uitgeschakeld in het gevecht om Saarlautern.

De heuvels van Spicheren, ten zuidwesten van Saarbrücken, vielen pas op 21 februari 1945, toen die inmiddels behoorden tot het front van het Zevende Leger. Mannen van de US 70th Infantry Division ('Trailblazers') die het dorp innamen herdachten die gebeurtenis in 1997 met het plaatsen van een M24 Chaffee tank als gedenkteken.

'Der Mann kann fallen, die Fahne nicht'. Nazislogan op een muur in Metz.

De Westwall verraste de geallieerden, die niet wisten hoe complex die was aangelegd, met aaneengekoppelde grotere en kleine bunkers, elk met vuurlijnen die het naburige bouwwerk beschermden. Verder waren er geschutskopels, drakentanden (betonnen obstakels tegen tanks), bunkers vermomd als huizen en pantserkoepels voor machinegeweren. Dillingen-Pachten was bijzonder goed verdedigd wat hieronder te zien is.

 

Langs de Franse kust

Dit is de Noord-Franse kust nabij de Belgische grens richting Duinkerken, waar de beroemde stranden liggen vanwaar de Britten zich in 1940 terugtrokken van het vastelad. Bij eb zijn nog altijd overblijfselen van schepen te zien (E) Er liggen vele stukken Atlantikwall aan dit stuk kust, veelal gebouwd op oudere Franse verdedigingswerken. Hier is de MKB Malo Terminus (A) te zien, gebouwd boven op een Frans fort uit de 18e eeuw. Deze versterking en het Fort des Dunes (B) werden aangevallen en veroverd in juni 1940. Ook werden nieuwe bunkers en geschutsemplacementen gebouwd. Fort des Dunes werd Funkmeßortungsstelling Dahlie. Ten noorden van de batterij staat een E219 Doppelschartenstand (C), een antitankkazemat met twee vuurmonden. Bij (D) zat de R636-commandopost voor een kustbatterij van vier 15,5 cm kanonnen.

Hier is de MKB Malo Terminus (A) te zien, gebouwd boven op een Frans fort uit de 18e eeuw

Bij (D) zat de R636-commandopost voor een kustbatterij van vier 15,5 cm kanonnen.

Dieppe neemt een speciale plaats in voor de Canadezen. Hier landden 5000 landgenoten van de 2nd Infantry Division, 1000 Britse commando's en 50 US Rangers met pantsersteun van The Calgary Regiment. De aanval werd een ram: 3367 Canadese doden, gewonden of gevangenen. De commando's verloren 247 man. De Royal Navy verloor een destroyer en 33 landingsvaartuigen en telde 550 doden en gewonden. De RAF verloor 106 vliegruigen. De Duitsers verloren 591 soldaten en 48 vliegtuigen. Nadat Dieppe op 1 september 1944 in handen van de Canadese 2nd Infantry Division was gevallen, was er veel belangstelling voor de verdedigingswerken. Hier onderzoeken officieren Duitse versterkingen boven het smalle strand van Puits, dat was aangevallen door het Royal Regiment of Canada.

Op het naburige militaire kerkhof werd een herdenkingsdienst gehouden.

In de loop van de tijd is de Atlantikwall deels onder het zand verdwenen. Deze bunker ligt ten zuiden van Boulogne, onderdeel van Stutzpunkt Obelisk. De twee grote bunkers zijn een R612 (A) Schartenstand für Land und Sturmgeschütze, een kazemat met een groot kanon en een R502 (B) Doppelgruppenunterstand, een personeelsbunker. Links is een stelling voor een 5 cm KwK (C).

Le Havre was vrijwel volledig verwoest voor de aanval in april 1944. 2000 burgers kwamen om en 350 schepen en 18 km haven alsmede 15.000 gebouwen werden vernietigd. De weigering te voldoen aan het verzoek van de Duitse vevelhebber kolonel E. Wildermuth om de Franse burgers vóór het bombardement te evacueren, is omstreden.

Geallieerde bommenwerpers vlogen in april 1944 op Dieppe: zoals bij veel kustplaatsen bombardeerden de RAF en USAAF havens en dokken. Gelukkig voor de inwoners verlieten de Duitsers Dieppe zonder te vechten, dus leed de stad niet onder het gebruikelijke artilleriebombardenent.

Hitler had Boulogne tot fort bestempeld en het werd verdedigd door 10.000 man. Tijdens Operatie Wellhit nam de Canadese 3rd Infantry Division, met steun van de BR 79th Armoured Division, de stad in, na hevige gevechten van 17 tot 22 september 1944. Het havengebied was op 15 juni 1944 verwoest door een RAF-aanval met ondermeer Lancasters met 'Tallboy'-bommen, maar toch werd er vanaf Dungeness een PLUTO-oliepijplijn aangelegd. Die was op 10 oktober 1944 in bedrijf.

 

Operatie Pluto

Operatie Pluto (Pipe-Lines Under The Ocean) was een operatie van Britse wetenschappers, olieproducenten en strijdkrachten tijdens de Tweede Wereldoorlog, na de landing in Normandië. Het doel was het leggen van onderzeese pijpleidingen in het Kanaal tussen Engeland en Frankrijk om de oprukkende geallieerde strijdmachten in Europa van brandstof te voorzien. Het verste punt was Maastricht. Het plan was uitgewerkt door A.C. Hartley, hoofdingenieur bij de Anglo-Iranian Oil Company, nadat admiraal Louis Mountbatten het concept had aangereikt. De pijpleidingen waren nodig om de afhankelijkheid van olietankers te verminderen. Deze konden worden vertraagd door slecht weer of worden aangevallen door Duitse U-boten. Bovendien waren de olietankers nodig in de strijd in de Stille Oceaan.

Na een test in het Kanaal van Bristol met een 83km lange 2 inch pijplijn tussen Swansea en Watermouth, werd op 12 augustus 1944 de 130 km lange pijplijn met een 3 inch diameter van Shanklin door de Shanklin Chine op het Isle of Wight over het Kanaal naar Cherbourg in gebruik genomen. In januari 1945 werd er 305 ton brandstof per dag naar Frankrijk gepompt, oplopend tot 4000 ton per dag aan het einde van de oorlog, gebruikmakend van een 18 tal pijpleidingen. In totaal is er ca. 781.000 kubieke meter brandstof verpompt door de Pluto pijpleidingen.

 

Een resterend deel van de pijplijn in de kloof van Shanklin

Pomp gebruikt voor Operatie Pluto bij Sandown op het eiland Wight

Pijpleiding Operatie Pluto

 

Zicht vanuit de lucht op een bomaanval op Mont Lambert, Frankrijk. Canadese troepen wisten het dorp en de artilleriestellingen op de eerste dag van de strijd bij het vallen van de avond in handen te krijgen.

De Atlantikwall langs de kust van het departement Pas de Calais behoorde tot de zwaarst verdedigde delen. Het gebied rond Boulogne, Cap Gris Nez en Calais was bezaaid met elk denkbaar type emplacement. Hier zien we Stutzpunkt 265 Lungenkraut. Dicht bij het dorp Équihen, ten zuiden van Boulogne, liggen de overblijfselen van vijf ongewone SK-bunkers (SK: Sonderkonstruktion = speciaal gebouwde), onderdeel van het navigatiesysteem van de Luftwaffe FuG121 Erika. Ze liggen ook bij Saint-Pierre-Église op Cotentin. Door te luisteren naar de twee stations konden vliegtuigen hun precieze positie bepalen (tot op 400 m). Hier bevinden zich ook enkele FlaK-stellingen.

Tussen Équihen en Le Portel ligt Kriegsmarine Station Nessel. Het heeft een V143 bunker die zal zijn uitgerust met een Mammut-radarstation. Mammut was 's werelds eerste fasegestuurde radarsysteem. Naast de V143 staan twee R622-bunkers voor de bemanning en, zoals hier te zien, zes L401-bunkers die zorgden voor de FlaK -luchtafweer (zij konden 8,8 cm of 10,5 cm AA-kanonnen huisvesten), met in het midden een commandopost.

Stutzpunkt 259 Pechnelke had vier R671-emplacementen, alsmede een 9,4 cm FlaK-emplacement en een aantal personeelsbunkers, waaronder een ziekenhuisbunker.

 

Cap Gris Nez

Je kunt niet dichter bij Engeland komen dan Cap Gris Nez. Na de val van Frankrijk bouwden de Duitsers een aantal kustbatterijen die konden worden ingezet tegen schepen, de Britse zuidkust konden beschieten en de geplande invasie in Engeland konden ondersteunen. Tussen augustus 1940 en 26 september 1944 - de dag dat het laatste schot werd gelost over het Kanaal - werd Kent  ruim duizend keer geraakt, waarbij ruim 200 burgers omkwamen en meer dan 10.000 gebouwen werden beschadigd. De inname van CValais en de batterijen vond plaats tussen 25 en 30 september 1944 tijdens Operatie Undergo door de Canadese 3rd Infantry Division. Ondanks de 'fort' bestemming vochten Calais en de batterijen niet tot de laatste man, waardoor de Canadese verliezen beperkt gehouden konden worden.

In deze bunkers op Cap Griz Nez bevond zich een radar installatie.

 

Batterie Todt

Batterij Todt (Duits: Batterie Todt, ex Batterie Siegfried) Is een kustbatterij gebouwd door de Duitse Wehrmacht tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het complex werd gebouwd door Organisation Todt, nabij het Franse dorp Audinghen, aan Het Kanaal bij Cap Gris-Nez in het departement Pas-de-Calais. Het maakte onderdeel uit van de Atlantikwall en de bewapening bestond uit vier kanonnen met een kaliber van 38 centimeter. Het maximum bereik lag op 55 kilometer en de granaten konden Engeland bereiken.

Opname gemaakt na de val van de batterij. Het getrapte schietgat moest voorkomen dat splinters of fragmenten doorschoten tot de ruimte waar de bemanning zich bevond.

Tegenwoordig huisvest één van de vier enorme bunkers van Batterie Todt, waar 380 mm kanonnen stonden, het Atlantikwall Museum en op de foto is te zien dat voor het museum een Duits Krupp K5-spoorweggeschut staat. De batterij - die oorspronkelijk MKB (Marine Küsten Batterie) Siegfried heette - werd in januari 1942 voltooid door Organisation Todt, de arbeidsorganisatie genoemd naar Fritz Todt, die de leiding had over de bouw van de Atlantikwall, tot zijn dood bij een vliegramp in februari van dat jaar. Het complex omvat een aantal personeelsbunkers, FlaK-emplacementen, munitiebunkers etc.

Kaarten met het verloop van Operatie Undergo en de Duitse bolwerken rond Calais.

WN 79 'Otter' ligt ten westen van Fort Lapin. Bijna verzonken in het zand liggen de twee R612-kazematten; daarachter ligt een grote commandopost die verbonden was met de verschillende batterijen in het gebied: Lindemann, Oldenburg, Todt en Grosser Kurfürst.

Ten westen van 'Otter' ligt Stutzpunkt Pinguin waarvan slechts één van de M176-kazematten zichtbaar is. Daarachter ligt Fort Lapin, oorspronkelijk een veldschans uit 1690. Tussen de oorlogen werd het verbouwd om vier 164,7 mm kanonnen te huisvesten. Het maakte deel uit van de verdedigingswerken rondom Calais.

 

Batterie Lindemann

We staan nog even stil bij de imposante Batterie Lindemann, waarvan heden ten dage niets meer te vinden is doordat het is ondergedompeld in een meer dat is ontstaan bij het aanleggen van de kanaaltunnel. In 'Terugblik 40-45', het maandblad van de Documentatiegroep '40 - '45 van januari 2016 stond een interessant artikel over de verzwolgen kustbatterij Lindemann, van Jac. J. Baart. De MKB Lindemann was de 6e Batterij van Marine Artillerie Bataljon 244 (6./244) en was uitgerust met 3 scheepskanonnen van 40.6 centimeter, Model SK C/34 (L/52), Dezelfde als op de slagschepen Tirpitz en Bismarck !! Nu zie je op de plaats van de batterij enkel nog een dam en een meer; het resultaat van de grootste blunder van de regio in de geschiedenis. De uitgegraven specie van de kanaaltunnel werd over de batterij heen gespoten. Aanvankelijk stonden de kanonnen in de regio van Danzig en stonden ze bekend als de batterij "Schleswig Holstein". In 1941 beslist het Duitse oppercomando de batterij over te brengen naar de Pas de Calais. Hier kreeg de batterij tot aan de officiële inhuldiging op 19 September 1942 een nieuwe naam, namelijk "Batterie Groß Deutschland". Zij kreeg toen weer een nieuwe naam: "Batterie Lindemann", naar de commandant van het slagschip Bismarck, dat op 27 mei 1941 tot zinken werd gebracht.

Het bereik van de kanonnen was enorm. Met een standaardgranaat van 1.024 kilogram was het bereik 42.8 kilometer en met de speciale "Adolf" granaat van 600 kilo haalden ze 56 kilometer. De schokgolf bij het afvuren was zo groot dat de 3 kanonnen niet tegelijk mochten vuren, omdat deze dan schade zou aanbrengen aan de woningen van Sangatte.

De 3 Kazematten kregen elk een naam, Turm Anton, Turm Bruno en Turm Ceasar.

In Juni en Juli van 1942 mochten de kazematten proefschieten en Turm Bruno vuurde op 9 november 1942 voor het eerst 3 operationele schoten af. De gigantische kazematten hadden 3 verdiepingen. Op de benedenverdieping waren de munitiemagazijnen, het ventilatielokaal en de machinekamer met een Deutz dieselmotor van 600PK. De middenverdieping omvatte de manschappenverblijven, sanitaire lokalen, voorraadkamers en filterkamers. Op de bovenste verdieping waren de kamers van de officieren en de onder-officieren, het secretariaat van de inlichtingenofficier, der verpleegpost, het ontspanningslokaal, de kantine en de vorraadkamers.

De Vuurleidingspost heeft het Regelbaut-type S100 en had een pantserklok, een afstandsmeter van 10 meter lang, een radar van het type Würzburg See Riese FuMo 214 en een stalen observatieklok. Hij Bestaat uit 2 verdiepingen. Op de bovenste bevonden zich de rekenkamer, de lokalen van de commandant van de batterij en van de vuurleidingspost, het transmissielokaal en de machinekamer. Op de benedenverdieping waren de slaapzalen van de manschappen, een kamer voor de officieren, de sanitaire lokalen, de waterreserve, het verwarmingslokaal en de filterkamer.

De hulpobservatieposten van de batterij bevonden zich op de Cap Blanc Nez, de Cap Gris Nez, de klokkentoren van Calais en bij Fort Lapin.

De passieve verdediging van de batterij bestond uit mijnenvelden, een antitankmuur en -gracht en ze was volledig omringd door cointet-elementen, gerecupereerde Belgische antitankhindernis afkomstig van de KW-linie.

Zonsondergang boven Stützpunkt 110 en Stützpunkt 109 (cap-blanc-nez).

 

Calais vanuit de lucht, toen en nu

 

Batterie Oldenburg

Stp 18, MKB-Oldenburg, ligt ten oosten van Calais. Net als de andere in het kordon dat zich uitstrekt tot batterie Todt, ten zuiden van Cap Gris Nez, begon de bouw van Oldenburg in juli 1940 toen Operatie Seelöwe, de invasie van Engeland, werd voorbereid. De twee open kazematten (A), en ook onder) huisvestten Russische kanonnen uit de Eerste Wereldoorlog die Krupp had vergroot tot 240 mm. Zij konden een projectiel van 150 kilo 25 km ver weg schieten - te kort voor de Britse kust, maar gevaarlijk voor de scheepvaart. Op 1 oktober 1944 werd Oldenburg veroverd door de Canadese 3rd Inf Div.

De gekoppelde verdedigingswerken ten oosten van Calais bij Le Fort Vert. B de Oldenburg Batterij; C Stp Waldam; D een R219 Doppelschartenstand van WN Roland; E twee R680's (kazemat voor 7,5 cm PaK 40) van WN Rosamunde; F WN Ria - twee R219's, een R612 Schartenstand en een 50 mm KwK für Lande- und Sturmabwehrgeschütz en een 50 mm KwK.

De kustbatterij M1 Waldam van Marine-Artillerie-Abteilung 244 had drie 15 cm SK C/28-kanonnen in twee M270-kazematten en een unieke draaiende koepel (SK Drehturm) van 750 ton, geïnstalleerd op het draaimechanisme van het geschut van het Franse slagschip Provence (G). Ook te zien zijn een commandopost (H), een Lichtsprech-bunker met apparatuur voor communicatie met gemoduleerd licht (I) en een R612 (J).

V-wapens

 

De campagne met vliegende bommen van 1944 was niet alleen angstaanjagend, wat het moreel van de burgers ondermijnde, maar veroorzaakte ook aanzienlijke schade. Van juni tot oktober 1944 werden 9521 V1's afgevuurd op Groot-Brittannië, totdat de laatste geschikte locatie werd veroverd. Daarna werden Antwerpen en andere Belgische plaatsen het doelwit. Tot 29 maart 1945 werden er 2448 V1's gelanceerd. De V2, officieel Aggregat 4 (A-4) geheten, was de eerste onbemande geleide ballistische raket. De V2 (Vergeltungswaffe 2) was de opvolger van de V1. Als brandstof voor de hoofdmotor fungeerden ethylalcohol en vloeibare zuurstof. De brandstofpompen liepen op waterstofperoxide ("T-stoff") met natriumpermanganaat ("Z-stoff") als katalysator. De raket werd verticaal gelanceerd. Een V2 bereikte een maximale hoogte van 83 tot 93 km en had een bereik tussen 321 en 362 km. De laatste versies hadden een bereik van 450 km. De springkop bestaande uit Amatol Fp60/40, woog circa 738 kg en kon een heel huizenblok wegvagen. Vlak voor het afslaan van de raketmotor woog een V2 nog 4040 kg. De raket startte bij 1 G en bereikte 8 G bij het afslaan van de motor. Zij viel omlaag met 3600 km/h en sloeg in met 3 keer de snelheid van het geluid. De raket werd voor het eerst ingezet op 8 september 1944; de doelen waren Parijs en Londen. Het V2-offensief duurde van september 1944 tot en met maart 1945. In deze periode werden meer dan 3000 raketten afgevuurd. Het gebied direct rond Londen werd door meer dan 500 V2’s getroffen en enkele honderden kwamen verder weg neer. Londen en Antwerpen waren veruit de belangrijkste doelen, maar er vielen ook V2’s op Ipswich en Norwich in Engeland en op door de geallieerden bezette delen van België, Frankrijk, Nederland en ten slotte zelfs Duitsland. De raketten werden in werkplaatsen in gevangenkampen in elkaar gezet. Een grote ondergrondse fabriek bevond zich bij Nordhausen, waar dwangarbeiders van concentratiekamp Dora-Mittalbau onder onmenselijke omstandigheden de V2 moesten produceren. Een V2 kostte 10 keer zo veel als een V1. Met zo'n 13.000 werkuren werden er in 1944 toch 700 per maand gemaakt.

 V2 raket op een mobiele lanceerinstallatie.

V2 raketten werden ook afgevuurd vanuit Den Haag op Engeland. Op het V2-informatiebord in Den Haag is met verschillende kleuren en symbolen te zien vanuit welke gebieden de V2-raketten werden afgevuurd, op welke plaatsen de V2's zijn neergestort en waar de bombardementen op de V2-lanceer- en opslagplaatsen plaatsvonden. Verder zijn er foto's afgebeeld van een afgevuurde raket en het Bezuidenhout in 1946. Ten slotte geeft een toelichting de geschiedenis van de V2's weer.

V2 informatiebord aan de Schenkkade in Den Haag

De V1 vliegende bom, die in grote aantallen werd afgeschoten op Antwerpen en Londen, hier tentoongesteld bij het museum te Peenemünde.

Links: testlancering van een V2, ontwikkeld door de Duitse, later tot Amerikaan genaturaliseerde ruimtevaartgoeroe Werner von Braun. Rechts is hij te zien in Peenemunde temidden van de nazi-kopstukken Dornberger, Olbricht en Leeb. Aanvankelijk had Hitler weinig belangstelling voor het V2 project, maar werd pas enthousiast toen Von Braun een oplossing had gevonden voor de tot dan toe mislukte testlanceringen: het koelen van de brandstofleidingen van de raket, want door de hitte van de brandstofleidingen werden de wanden van de raket vervormd, waardoor het uit de koers raakte en neerstortte. Toen eenmaal het proces gelukt was, werden de V2's met succes gelanceerd en werd Hitler enthousiast. De V2's werden afgeschoten op Antwerpen en Londen. Aanvankelijk vanaf vaste lanceerplaatsen, maar toen de geallieerden oprukten in Frankrijk, ook vanaf mobiele lanceerplatforms.

Een krater veroorzaakt door de explosie van een V1 of V2, Fort van Merksem bij Antwerpen, België, 15 oktober 1944.

Dood en verwoesting in Antwerpen na een V2-aanval.

 

KZ-Lager Dora-Mittelbau

 

Dora-Mittelbau, soms ook wel het concentratiekamp Mittelbau genoemd, was een naziconcentratiekamp dat in augustus 1943 in gebruik werd genomen nabij Nordhausen, ten zuiden van het Harz-gebergte, waar ook al het Buchenwald kamp lag. Het gehele Mittelbau-Doracomplex omvatte uiteindelijk circa 40 subkampjes. Het belangrijkste doel van het kamp was niet het uitroeien van de gevangenen (zoals in Auschwitz of Treblinka gebeurde) maar gebruik van hen maken als goedkope arbeidskrachten in de wapenindustrie, voornamelijk in de productie van V1's en V2's.

De aanleiding voor de bouw van dit concentratiekamp, was het bombardement op Peenemünde in de nacht van 17 op 18 augustus 1943, waarbij het proefstation voor de ontwikkeling van raketwapens werd getroffen. Hierop werd besloten de productie van raketten te verplaatsen naar ondergrondse fabrieken. In de berg Kohnstein nabij Nordhausen was door de ontginning van anhydrietgesteente al een uitgebreid gangensysteem ontstaan. Concentratiekampgevangenen moesten de mijngangen vergroten en verbouwen tot een rakettenfabriek, het zogenaamde "Mittelwerk" dat onder leiding stond van Arthur Rudolph. Vanaf januari 1944 werden in dit bedrijf, waarvan het Rijk eigenaar was, de door Joseph Goebbels aangekondigde vergeldingswapens (V-wapens) gemaakt

Een roestige V2-raketmotor in de ondergrondse productiefaciliteiten

Crematorium

Een postkarte afkomstig uit KZ Dora-Mittelbau

In dit ondergrondse gangenstelsel vond de fabricage van V2 raketten door dwangarbeiders uit KZ Dora-Mittelbau plaats.

Raketmotoren in de ondergrondse fabriek

Restanten van de wasserij van KZ Dora-Mittelbau

 

Toen in 1943 de nederlaag van het Duitse Rijk zich steeds duidelijker begon af te tekenen, werkten het ministerie van bewapening en de SS nauw samen om alle beschikbare arbeidskrachten voor de totale oorlog te mobiliseren. Daaronder vielen ook concentratiekampgevangenen en dwangarbeiders. Om de bouwwerkzaamheden te kunnen uitvoeren, deporteerde de SS, mensen uit talrijke landen die door de Duitsers bezet waren. Deze dwangarbeiders werden, dag en nacht, in de mijngangen opgesloten. Velen van hen stierven al na een paar weken vanwege de verschrikkelijke werk- en leefcondities. In het voorjaar van 1944 werd een bovengronds barakkenkamp gebouwd.

De gevangenen van het kamp waren vooral mannen, maar er bestond ook een kleine groep gevangen vrouwen in het kamp Mittelbau-Dora en in het subkamp Gross Werther. Er is slechts één vrouwelijke bewaker bekend die in Mittelbau-Dora heeft gewerkt: Lagerführerin (kampbevelhebster) Erna Petermann. Haar gedrag jegens de vrouwelijke gevangenen was zeer wreed; ze behandelde de vrouwen net zoals de mannelijke gevangenen werden behandeld.

Op het (geschatte) totaal van 60.000 gevangenen in Mittelbau-Dora werden er 12.000 doden geteld door de nazi's, maar het ware aantal slachtoffers wordt op ten minste 20.000 geschat.[2] Daarbij worden ook de luchtaanvallen en de dodenmarsen (1945), de evacuatie van het kamp, geteld.
 

Sinds de jaren zeventig is de poort van het voormalige Mittelbau-Dora gemarkeerd met betonnen pilaren.

Tegenwoordig is het moeilijk te geloven dat op deze schitterende plek in de Harz ooit een concentratiekamp lag.

 

De bevrijding van België

 

Batterij Hundius

Ten westen van de haveningang van Oostende ligt Fort Napoleon (A), gebouwd in 1811. In beide wereldoorlogen was dit het hoofdkwartier van de Duitse artillerie in het gebied. De haven was goed verdedigd. Bij (B) de meest oostelijke kazemat van Batterij Hundius; in deze R671 stond 10,5 cm. Na de oorlog werd de versterking omgebouwd tot een transmissiecentrum van de Belgische marine, die het op haar beurt in 1983 in bruikleen gaf aan het Koninklijk Marine Kadettenkorps.

 

Domein Raversijde Oostende

Het schitterende museum Domein Raversijde, ten westen van de luchthaven Oostende, omvat ruim 60 bunkers en batterijen uit beide wereldoorlogen. De onderdelen zijn geconserveerd door prins Karel (1903-1983), graaf van Vlaanderen en regent van België 1944-1950, die hier vanaf 1950 woonde (huis bij F) D is de ingang tot het museum. Tot de bezienswaardigheden behoort de Aken Batterij uit de WOI (C); (E) is een vuurleidingspost uit WOI met een afstandmeter ervoor. De WOII-batterij heette oorspronkelijk MKB Saltzwedel, later Tirpitz. G Verschillende anti-tank- en antilandingsvaartuigobstakels gebruikt op de stranden van de Atlantikwall. H Huis van de batterijcommandant. I twee van de vier R671-bunkers. J WOII-observatiebunker en commandopost.

R671-bunker

Na het veroveren van de Franse kust trok het Eerste Canadese leger België binnen.

Deze Staghound van de XIIth Manitoba Dragoons is gefotografeerd in Blankenberge op 11 september 1944, vlak voordat de eenheid brugge innam.

Canadese soldaten bekijken Brugge nadat ze de stad hebben bevrijd.

Bevrijding van Brugge 12 september 1944

Canadabrug te Brugge. Hier bevindt zich een gedenkplaat ter nagedachtenis aan de Canadese troepen die Brugge bevrijdden op 12 september 1944. De twee bizons staan voor de XIIth Manitoba Dragoons.

De Canadabrug werd door Canadese troepen (12de Manitoba Dragoons) overgestoken op 12 september 1944. Als herinnering aan de bevrijding, plaatste men twee buffels op de brug die het logo van de 12de Manitoba Dragoons voorstelt.

Op de Canadabrug is de volgende tekst te lezen:

Ter dankbare herinnering aan de bevrijding van Brugge door de Canadese troepen die op 12 september 1944 over deze brug de stad zijn binnengerukt.

Bevrijdingsmonument Brugge

Majoor David Currie verdiende het Victoria Cross in de slag om de Zak van Falaise in dienst van het South Alberta Regiment. De plaquette bevindt zich in Owen Sound, Canada.

Majoor David Currie in een |Humber MKI-verkenningswagen, eind 1944. Het wapen is een Brengun.

Zoeken naar mijnen, Fort van Kapellen (bij Antwerpen), 5 oktober 1944.

De Canadian 4th Armoured Division oefende en vocht naast de Poolse 1e Pantserdivisie in de Zak van Falaise en tijdens de opmars vanuit Normandië. Ze waren betrokken bij het veroveren van de zuidoever van de Schelde en vochten in de Zak van Breskens.

Nadat ze België grotendeels in handen hadden, richtten de geallieerden zich vanaf half september op Operatie Market Garden. Nadat die mislukt was, werd de opening van de Schelde van cruciaal belang. Die taak kreeg het Canadian II Corps met daarin de Poolse 1e Pantserdivisie, de Britse 49th en 52nd Divisions, alsmede het British I Corps en werd uitgevoerd tussen 2 oktober en 8 november 1944. Bij de poging om het Leopoldkanaal over te steken stuitte de Canadian 3rd Inf Div op hardnekkige Duitse tegenstand.

Een groot deel van het laaggelegen België en Zeeland stond onder water, wat vervoer en dagelijks leven lastig maakte.

Voertuigen van  de Canadian 3rd Inf Div rijden door Boekhoute, 8 oktober 1944

Het antwoord op de omstandigheden waren gespecialiseerde voertuigen; hier passeert een kolonne Alligator LVT's Terrapin-amfibievoertuigen de schelde, 13 oktober 1944.

Brigade Piron

De Brigade Piron of officieel Belgische 1e Infanteriebrigade werd tijdens de Tweede Wereldoorlog in het Verenigd Koninkrijk opgericht en stond onder bevel van Jean-Baptiste Piron die op zijn beurt onder het commando stond van de Britse 6e Luchtlandingsdivisie van het Canadese 1e Leger. Vanaf 28 augustus 1944 viel de brigade onder de Britse 49ste Divisie van het Britse 2e Leger.

De brigade bestond uit 2200 (volgens een andere bron 2500) gevluchte Belgische en Luxemburgse militairen. De eenheid werd opgeleid in Tenby (Wales). Ze nam niet deel aan de landing in Normandië maar landde op 7 augustus 1944 in Arromanches en Courseulles-sur-Mer, en bevrijdde op 21 augustus Cabourg, op 22 augustus Deauville, op 24 augustus Trouville-sur-Mer en op 25 augustus Honfleur.

Nadien nam de brigade deel aan de bevrijding van België. Ze stak op 3 september bij Rongy de grens over en bevrijdde een dag later de hoofdstad Brussel. De militairen kregen hierna een paar dagen verlof om hun familie te bezoeken.

Vervolgens nam de eenheid deel aan de veldtocht in Nederland, met name op Walcheren en in Betuwe.

Na de oorlog vormde ze de kern voor het nieuwe Belgische leger. De brigade bezette in Duitsland de streek rond Siegen en Lüdenscheid. Later werd ze herdoopt tot Bataljon Bevrijding. In 1992 werden de 5de Linie Regiment en Bataljon Bevrijding samen gevoegd tot Regiment Bevrijding/5 Linie. In 2010 werd ze een Mediaan bataljon waardoor de benaming werd gewijzigd naar Mediaan Bataljon Bevrijding/5 Linie (afgekort als Md Bn Bvr/5 Li). Ze is nu gekazerneerd in Leopoldsburg.

In het kader van de NAVO-gordel kreeg België een zestig kilometer brede sector te verdedigen. Het 1ste Belgische Legerkorps dat deze opdracht uitvoert, vormt alzo een schild ter bescherming van onze staatsburgers. Deze opdracht vindt men terug in de leuze op het wapenschild "SCUTUM BELGARUM", wat staat voor het "Schild der Belgen".

 

Monument - met Staghound-koepel - ter nagedachtenis aan de soldaten van de Belgische Piron Brigade die vielen bij de bevrijding van Leopoldsbrug en Heppen op 11 en 12 september 1944, toen zij vochten met de British 8th Armoured Division.

Bevrijding van België door de Belgische Brigade Piron.

Een Staghound MK I Audemer in de kleuren van de Brigade Piron in het Tankmuseum in Kapellen.

Een Belgische filmploeg volgde de Brigade Piron door bezet Europa.

Monument voor de 1e Belgische Brigade bij Auberville in Frankrijk dat gaat over haar rol in de bevrijding van 'de dorpen van de Côte Fleurie van Sallenelles tot Honfleur'.

Monument voor luitenant-generaal J. Piron in Couvin bij Namen.

 

Poolse 1e Pantserdivisie

 

De Poolse 1e Pantserdivisie in Tielt, België tegen een achtergrond die nu nog steeds herkenbaar is. In de inzet de Sherman Firefly die de divisie aan de stad schonk.

Luitenant. Klaptocz van de 10th Dragoons, Poolse 1e Pantserdivisie en majoor Leonard Dull van de US 90th Inf Div in Chambois, augustus 1944, nadat de geallieerde verbinding de lus rond de Zak van Falaise had gesloten. Daardoor zaten de overblijfselen van het Duitse Zevende Leger in de val. Klaptocz sneuvelde later in Nederland.

De commandant van de Poolse 1e Pantserdivisie was generaal Stanislaw Maczek (1892-1994). Hij werd slecht behandeld door de Britten, die hem een pensioen ontzegden. Maar ook door de communistische regering in zijn vaderland. In 1989 bood premier Mieczyslaw Rakowski in het openbaar verontschuldigingen aan. In 1994 kreeg Maczek de hoogste staatsonderscheiding van Polen, de Orde van de Witte Adelaar.

De generaal van de Poolse 1e Pantserdivisie Stanislaw Maczek ligt begraven met zijn mannen in Breda.

Op het Maczekplein in Stadskanaal staat een gedenkteken voor Maczek, gemaakt door Karin Hardonk.

De Belgische stad Sint-Nilaas voorzag de Polen van een insigne en later, op 3 maart 1946, ontving luitenant-kolonel Aleksander Stefanowicz, commandant van het 1e Poolse Pantserregiment, daar de regimentskleuren.

In Saint-Omer in Noord-Frankrijk werd een gedenkteken opgericht voor de Poolse bevrijders.

 

Gent

 

Infanteristen van de King's Shropshire Light Infantry doen een tukje aan de zijde van een 3RTR Sherman op de weg van Gent, uitgeput door de snelheid van de opmars.

Toen de eerste Britse tanks de stad Gent binnenrolden, wachtte hen een tumultueus welkom. Ze kregen armen vol bloemen en bier en wijn vloeiden rijkelijk. Generaal Gerald Verney CO van de 7th Armoured Division kwam op 8 september Gent binnen in een Staghound.

 

Brussel

 

Majoor-generaal 'Pip' Roberts, commandant van de 11th Armoured Division in zijn White-verkenningswagen, 15 augustus 1944.

Shermans van de 23rd Hussars, 11th Armoured Division, rukken op door Deurne (Antwerpen), 26 september 1944. Op de eerste tank is de 'aanvallende stier' te zien, het embleem van de divisie.

In Brussel kregen de Britse troepen een uitgelaten ontvangst op 3 september 1944.

Nog meer Britse troepen trekken naar het centrum van de stad, 4 september 1944.

Een wagen bemand door Vrije Belden wordt toegejuicht door de burgerbevolking.

De bemanning van een Cromwell MK IV-tank van de 2nd Welsh Guards rijdt Brussel binnen op 3 september 1944. Ondanks sporadisch verweer vanuit het Koninklijk Paleis en het hoofdkwartier van de Gestapo, verliep de inname van de stad vlot.

 

Het Amerikaanse Eerste Leger

 

Het Amerikaanse Eerste Leger werd in januari 1944 in Engeland actief en stond onder bevel van generaal Omar Bradley. Een speelde een belangrijke rol bij de invasie in Normandië en daarna. Toen Bradley de 12th Army Group overnam, werd Courtney Hodges CG. Het Eerste Leger vocht aan het noordelijke front in de Slag om de Ardennen, nam deel aan de Slag om het Rijnland en stak de Rijn over bij Remagen. Het bereikte de Elbe op 18 april 1945 en ontmoette de sovjettroepen op 25 april 1945. Zo beëindigde het Eerste Leger de oorlog in Europa en stond het klaar voor Operatie Downfall, de invasie van Japan, nadat het land zich had overgegeven.

Voor wat het Eerste Leger heeft meegemaakt nemen we het 113th Field Artillery Battalion als voorbeeld. Dit bataljon was een van de vier artilleriebataljons van de divisie en beschikte over twaalf 155 mm houwitsers die een projectiel van 43 kilo over circa 13 km konden vuren. Deze eenheid van het 30th Infantry Division kwam op het Europese vaste land van 10 tot 15 juni 1944. De divisie voegde zich bij het Eerste Leger en fungeerde na de uitbraak vanuit Saint-Lô als voorhoede van de opmars door Frankrijk en de lage landen richting Duitsland. Zij weerstond de wanhopige Duitse tegenaanval bij Mortain en kreeg het hierbij zwaar te verduren. Fel bestookt moesten alle mannen van de 30th Division in actie komen. Zij hielden stand en wisten de vijand terug te slaan. Op jacht naar de zich terugtrekkende Duitsers door Frankrijk werd al snel de Seine overgestoken en begin september was de divisie de eerste geallieerde eenheid die zowel België als Nederland binnentrok. Zij hielp Doornik innemen als onderdeel van de omsingeling van Bergen, trok op naar de Maas en bevrijdde Maastricht voordat ze de Siegfriedlinie aanvielen en - met de 1st Infantry Division - Aken omsingelde en innam. De eerste grote Duitse stad viel in geallieerde handen. De doorstoot naar Duitsland stokte toen de Duitsers in december 1944 in de Ardennen de tegenaanval inzetten. De 30th moest haastig naar het gebied Malmedy-Stavelot-Stoumont, dat was aangevallen door Jochen Peiper's 1e SS Panzer Division, de Leibstandarte, die eerder bij Mortain door het 30th verslagen was. Opnieuw hakte de 30th een deel van Hitlers beste troepen in de pan en stuitte daarmee mede het Duitse winteroffensief, voordat de soldaten naar Vielsalm-Sart-Lierneux vertrokken voor de tegenaanval. Aangekomen in Sankt Vith werd de 30th uit de strijd genomen ter voorbereiding op de Slag om het Rijnland. De 30th Division vocht in totaal 282 dagen in 1944 en 1945, met name ingedeeld bij het Eerste Leger.

Amerikaanse Sherman tank in Vlaanderen.

Dr van Heely was Battalion Assistent bij de 113th Field Artillery. Hij maakte dit gat en zocht daarin dekking toen de granaten om hem heen gierden bij Mortain, Frankrijk, augustus 1944.

 

Uitgeschakelde Duitse tanks tijdens Operatie Lüttich bij Mortain.

Uitgeschakelde Duitse tanks tijdens Operatie Lüttich bij Mortain.

Dit wapen was oorspronkelijk bestemd voor het 113th FA Regiment op 24 februari 1931. Het werd uiteindelijk toegekend aan het 113th FA Battalion op 29 juli 1942.

Officeren van het 113th FA Battalion bij Saint-Romphaire, Frankrijk, augustus 1944. Van links naar rechts, eerste rij: kapt. Harold Horner, maj. S.L. McCall, lt. Wade S. Kolb, lt. Edward L. McMullen, kapt. Abbot C. Weatherly, kapt Howard L. Krall, kapt K. Van Heely, lt. Walter J. Horan, lt. R.H. Bradley. Tweede rij: kapt. William B. Carlton, lt. George P. Eldridge, kapt. George R. Springer, kapt. Hyman M. Bizzel, kapt. Clement T. Ziegler, lt. Marvin L. Woodruff, lt. Elmer C. Rosenberger, lt. Russell D. Stewart, lt. Harold E. Hunt, maj. Wiley C. Rodman. Derde rij: lt. Adrian A. VanHook, lt. Bulla ??, lt. ??, lt. ??, kapt. Robbins ??, kapt. Wendell A. Roberts, kapt. Bernhard J. Levy, lt. William R. Fuller, WOGJ Howard S. Maney, lt. Norman G. Stroud. Niet aanwezig op de foto: lt.-kol. Edward F. Griffin, kapt Richard J. Binnicker, lt. Paul E. Griffin, lt. Bob Spicer, lt. Robert C. Anderson, WOJG Astor C. Lucas.

Dwars door Tongeren in België tijdens de onstuimige achtervolging op de zich terugtrekkende Duitsers.

Dwars door Tongeren in België tijdens de onstuimige achtervolging op de zich terugtrekkende Duitsers.

Fort Eben-Emael in september 1944 en nu. Dit is de hoofdingang, beschermd door een antitankwapen en machinegeweren.

Fort Eben-Emael in september 1944 en nu. Dit is de hoofdingang, beschermd door een antitankwapen en machinegeweren.

Het XIX Corps van de genie verrichtte wonderen rond Maastricht, waar alle bruggen over de rivieren en kanalen waren vernield. Het 234th Engineer Combat Battalion stak de rivier ten zuiden van Visé over via een treadwaybrug, voordat het met de 30th Division vanaf de oostoever een brug naar Maastricht aangelegde. Dit alles werd gerealiseerd in één dag, 14 september 1944. Hier een verwoeste brug over de Maas bij Visé, ten zuiden van Maastricht.

De pontonbrug over het Albertkanaal, aangelegd door het 234th Engineer Combat Battalion.

Het 113th Field Artillery Battalion steekt de Maas over ten zuiden van Visé.

Het 113th Field Artillery Battalion steekt de Maas over ten zuiden van Visé.

Een V1, de 'buzz bomb', in volle vlucht, december 1944. De voorloper van de kruisraket was niet in staat tot precisieaanvallen, maar bleek een effectief terreurwapen en aanleiding voor de geallieerden om de strategische bombardementen te richten op lanceerinrichtingen in plaats van Duitse productiemiddelen. De eerste V1 werd afgeschoten op London op 13 juni 1944, de volgende dag gevolgd door een salvo van 244 vanaf 55 locaties in Noord-Frankrijk. Flakgruppe Creil zou er vanaf toen zo'n honderd per dag lanceren. Eind juni waren er al 1800 burgerdoden gevallen. Operatie Crossbow - de inzet van strategische bommenwerpers - en de geallieerde opmars na Operatie Cobra, vernietigde de Franse lanceerinrichtingen, maar Flakgruppe Creil hergroepeerde zich en eind oktober begonnen de V1's neer te regenen op Brussel. Er werden er 55 gelanceerd en vijf dagen later werd Antwerpen het hoofddoel, terwijl andere werden gericht op Charleroi en Luik. Eind november waren er ruim 750 afgeschoten. In totaal zijn er bijna 6000 vliegende bommen binnen 13 km van het centrum van Antwerpen neergekomen, met 2423 doden en 50 gezonken schepen tot gevolg.

Dit monument, ter ere van de soldaten van de 'Old Hickory', staat op de plek waar de divisie de Maas overstak en Maastricht bevrijdde. Het werd ingewijd op 14 september 1994, ter herdenking van de 50ste herdenking van de bevrijding.

De 30th Division steekt de Maas over.

Amerikaanse infanteristen passeren de stadsgrens van Maastricht.

Amerikaanse soldaten van de 30th Infantry Division bevrijden Maastricht.

Gevangen genomen Duitsers in Maastricht.

Amerikaanse infanteristen passeren het station van Maastricht.

Vreugde onder de bevolking van Maasticht over de bevrijding door de Amerikanen.

Op het Vrijthof in Maastricht is deze bronzen plaquette te vinden dat de stad geschonken werd door de 30th Division Association.

 

Operatie Market Garden

 

Generaal Lewis H. Brereton (links) was bevelhebber geworden van de First Allied Airborne Army bij de oprichting begin augustus 1944. Hier praat hij met de CO van de 43th Troop Carrier Group, die de vliegtuigen van de 101st Airborne zal leiden. De andere persoon is CO van het 327th Glider Infantry Regiment, kolonel Joseph Harper.

De start was het veroveren van de bruggen over het Albert- en het Maas-Scheldekanaal (tegenwoordig bekend als Kanaal Bocholt-Herentals), beide in België. Het XXX Corps lukte dat begin september, maar de tegenstand was fel en liet zien dat de Duitse weerstand na de aftocht aan kracht had gewonnen. Hier steken troepen de Schelde over op 19 september 1944.

De John Frostbrug bij Arnhem. In september 1944 bleek deze brug 'een brug te ver' en liep de Britse opmars vast. Het XXX corps kwam niet verder dan Nijmegen. Deze brug is genoemd naar de commandant van de Britse troepen, die deze brug wisten te bereiken.

Het 501st PIR landde grotendeels bij Veghel op DZ 'A' en om 15.00 uur had het reeds de vier bruggen in handen die het doelwit waren. Tegen de avond nam het regiment stelling om de stad te verdedigen. Het 502nd PIT landde op DZ 'B' en legde beslag op Sint-Oederode en de brug over de Dommel. Een deel van het 3rd Battalion veroverde de brug bij Best, maar werd teruggedrongen door een sterke tegenaanval. Het 506th PIR landde op DZ 'C'. Nadat ze zich een weg hadden gebaand naar de drie bruggen over het Wilhelminakanaal bij Son, troffen ze die opgeblazen aan. Dit maakte de brug bij Best cruciaal en er werd hevig slag om geleverd.

De ravage na een botsing in de lucht tussen twee Waco's.

Deze dokterswoning in Veghel diende als HQ van het 501st PIR. Inzet links: gedenkteken in Best voor lt.-kol. Robert C. Cole die een Medal of Honor kreeg bij Carentan. Hij sneuvelde in de strijd op 18 september 1944 en ligt begraven op de Amerikaanse begraafplaats te Margraten. Inzet midden: het monument voor de 101st Airborne in Son. In de tuin (inzet rechts) staat het Kangaroo monument (Kangaroo was de zendercode van het 101st Airborne).

De brug te Son anno nu. De Liberation Route begint in Normandië en loopt via Nijmegen en Arnhem richting Berlijn. Er liggen 82 keien op verschillende locaties in de regio. Inzet: de kei bij de brug te Son.

De Parachutist in Son. Op de plaquette staat (in het Engels): 'Bevrijd op 17 september 1944 door het 506 PIR en onderdelen van de 326th Airborne Engineers. Deze plaats was de commandopost van de 101st Airborne Division tijdens de eerste drie dagen van de Hollandse veldtocht. De 506th Parachute Field Artillery en het 81st Airborne AA Battalion weerstonden elke aanval op deze stelling van D-Day tot D+3 waardoor hier het Division HQ kon worden gevestigd dat zo nodig was om de missie te laten slagen...'

Ter nagedachtenis aan Joe Mann, 502nd PIR, die op 9 september 1944 in Best een Medal of Honor kreeg nadat een granaat vlakbij neerkwam. Hij riep 'granaat' en wierp zijn lichaam erop.

In Eindhoven werd de 101st opgehouden door twee Duitse 88 mm kanonnen bij de kruising Kloosterdreef-Woenselsestraat. Eén werd uitgeschakeld door het 506th PIR; deze werd door de bemanning onklaar gemaakt voordat ze zich overgaf. De voorhoede van het XXX Corps bereikte Eindhoven in de middag van 18 september 1944.

Een Sherman tank in Son. Ervoor slepen Duitse krijgsgevangenen een Wehrmacht-handkar voort, 20 september 1944.

Het 14th Field Sqn RE legde de brug bij Son opnieuw aan in de nacht van 18 op 19 september 1944, waardoor de Grenadier Guards naar Grave konden, 36 uur achter op schema.

De Nederlandse boeren Driek Eykemans en Toon Wervoort geven glidermannen een lift. De pijproker is Jaap Bothe, een van de vijf Nederlandse commando's van No. 2 (Dutch) Troop van 10 (Inter Allied) Cdo. Veghel, 18 september 1944.

Volgens 'After the Battle' zijn deze foto's genomen op 19 september 1944. Het betreft het neerstorten van de Skytrain van 1st lieutenant Jesse M. Harrison van de 435th Group tijdens de tweede golf droppings.
Generaal Mc Auliffe houdt een peptalk tegen de crews van de tweede golf. Deze commandant van de artillerie van de 101st Airborne werd assistent-divisiecommandant toen Don Pratt sneuvelde op 6 juni 1944. Hij is bekend geworden door zijn antwoord 'Nuts', toen de omsingelde verdedigers van Bastogne werd voorgesteld zich over te geven aan de Duitsers.
Sherman tanks van het 44TRT opgesteld in Veghel op 21 september 1944. Het 44TRT ondersteunde de 101 Airborne in de strijd om de controle te houden over Hell's Highway. Er werd voortdurend zwaar gevochten rond Veghel, Eerde en Sint-Oederode, waarbij de weg werd afgesneden op 24 september 1944 en weer heroverd op de 25e en de 26e.
Hell's Highway bij Son op 20 september 1944. Tijdens operatie Market Garden hadden luchtlandingstroepen strategische bruggen veroverd. Grondtroepen moesten vervolgens naar het noorden trekken over een smalle tweebaansweg. Dit maakte hun voortgang kwetsbaar voor tegenaanvallen op beide flanken. Al snel kwamen de grondtroepen bloot te staan aan een constant, dodelijk vuur. De route werd daarom bekend als ‘Hell’s Highway’. Operatie Market Garden was erg afhankelijk van luchtlandingstroepen die een hele serie strategische bruggen over rivieren en kanalen in handen moesten krijgen en voor korte tijd zien te behouden. Het kon van deze troepen niet verwacht worden dat ze lang zouden standhouden. De parachutisten waren licht bewapend en hadden beperkte voorraad. Dit maakte hen uiterst kwetsbaar voor gepantserde eenheden van het Duitse leger. Het was daarom van vitaal belang om deze troepen zo snel mogelijk te ontzetten.
Deze opdracht werd gegeven aan het Britse 30e Legerkorps onder leiding van generaal Horrocks. Vanuit een klein bruggenhoofd over het Maas-Schelde kanaal in België lanceerde het Legerkorps zijn aanval. Het eerste doel was om binnen een dag de luchtlandingstroepen bij Eindhoven te ontzetten. De troepen in Arnhem die het verst weg waren, zouden op z’n laatst na vier dagen worden ontzet. Deze doelen werden niet gehaald. De opmars van de grondtroepen verliep over een smal front, een tweebaansweg die naar het noorden liep. Dit maakte het 30e Legerkorps uiterst kwetsbaar door herhaaldelijke en felle Duitse tegenaanvallen. De opmarsroute lag constant onder moordend vuur. Velen lieten het leven. De Britten en Amerikanen noemden de weg al snel ‘Hell's Highway’.
De tegenslagen stapelden zich op en vertraagden de opmars van de grondtroepen. Het resultaat was dat ze niet in staat waren de luchtlandingstroepen in Arnhem te ontzetten. Hierdoor mislukte Market Garden.
Parachutisten van de 101st Airborne Division komen langs een brandende truck in Veghel op 21 september 1944. De gevechten langs Hell's Highway maakten de aanvoer van versterkingen lastig.
Britse trucks van het XXX Corps komen op 25 september 1944 weer op gang. De Duitse aanvallen bij Eerde en Koevering op de 24e hadden de weg tijdelijk afgesneden, waardoor Duitse tanks de colonne trucks kapot konden schieten. Zo'n 30 vrachtauto's van het 536th Coy en RASC kwamen langs de weg terecht, alsmede enkele trucks met terugkerende gliderpiloten van de 313th Troop Carrier Group.
Een Sherman tank die is uitgeschakeld op 25 september 1944 bij Koevering door een Duitse Jagdpanther.
Het 1st Battalion, 501st Parachute Infantry Regiment (PIR) vocht een bloedige slag uit bij Eerde, ten zuidwesten van Veghel. Hier laten ze wat trofeeën zien.

Monument voor de 82nd Airborne Division bij de brug te Grave.

De brug over de Maas bij Grave werd in 2004 genoemd naar lt. John S. Thompson.

Kazemat Zuid, een van de twee bunkers die de zuidzijde van de brug verdedigden. De twee bunkers werden in 2011 geopend als museum.
De 82nd Airborne Division onder leiding van brigade-generaal James M. Gavin, landde ten noordoosten van de 101st om de bruggen bij Grave (over de Maas) en Nijmegen (over de Waal) de veroveren. De precisie van de dropping bij Grave was goed, slechts 550m ten zuidwesten van de brug, die snel in handen viel van het peloton van lt. John S. Thompson van E Coy, 504th PIR. De 82nd zou het tegen herhaalde aanvallen verdedigen. De vitale Waalbrug bij Nijmegen was echter nog in Duitse handen. De Household Cavalry van het XXX Corps bereikte de Graafse brug om 8.30 uur op 19 september 1944., goed opgeschoten vanuit Son, maar de Waalbrug bij Nijmegen viel pas om 18.30 uur op 20 september 1944. Deze vertraging bleek cruciaal voor de hele operatie.
Het XXX Corps beleefde een logistieke nachtmerrie. Ruim 20.000 voertuigen moesten in drie dagen tijd 100 km afleggen. De twee rijbanen, vaak met greppels erlangs, waren ideaal voor vertragingsacties. Daar kwam in grotere plaatsen nog de juichende menigte bij die de kolonne ophield. Maar ondanks de problemen bij de brug te Son betekenden de heldendaden van de 101st Airborne bij Veghel en de 82nd bij Grave dat de Grenadier Guards op 19 september 1944 in Nijmegen waren. Weliswaar achter op schema, doch slechts 15 tot 20 km van Arnhem.
Bij een van de landingsterreinen een paar kilometer verderop staat een gedenkteken voor de 82nd Airborne Division.
Brigade-generaal Gavin, commandant van de 82nd Airborne Division, doet zijn parachute aan. Let op zijn M1 Grand-geweer en uitrusting op de grond.
James Gavin aan boord. Links zit kolonel John Norton, de Division G-3 (officier operaties); naast hem zit kapitein Hugo Olson, Gavin's adjudant. Beiden dragen SCR-536-walkietalkies voor communicatie na de sprong.
Een laatste briefing. Let op het kledinginsingne van de 82nd Airborne op de linkerschouder van de officier, zijn M1 Garand-geweer en de zware uitrusting, zoals een loopgraafschep etc.

Dropping van het 505th PIR. Aan de lichter gekleurde parachutes hangen goederencontainers.

Dropping van C Company 307th Airborne Engineering Batallion op DZ 'N' bij Groesbeek.

Tegenwoordig liggen er bij Nijmegen drie bruggen over de Waal. 1 De nieuwste brug 'De Oversteek' loopt over het gebied dat op 20 september 1944 rond 15.00 uur werd bestormd door de 504th. 2 Het 19e eeuwse fort Hof van Holland, met slotgracht. 3 De spoorbrug, waarvan de noordzijde om 17.00 uur werd veroverd door de 504th. 4 De verkeersbrug, de Waalbrug. Om 16.30 uur hadden de paratroopers hem onder vuur toen tanks van de 2nd Grenadier Guards overstaken. Twee werden uitgeschakeld. Een grote verrassing was dat de brug niet werd opgeblazen. De commandant van de verdediging - brigadeführer Heinz Harmel - had explosieven aangebracht, maar Model wilde de brug intact houden voor een tegenaanval.

Toen Harmel de brug toch wilde opblazen, gingen de ladingen niet af. Velen denken dat de jonge student Jan van Hoof op 18 september 1944 de kabels heeft doorgesneden. Hij werd echter gedood op 19 september 1944, dus het verhaal is met hem begraven, maar hij wordt geëerd met een stenen reliëf op de brug.
 
Jan Jozef Lambert van Hoof (Nijmegen, 7 augustus 1922 - Nijmegen, 19 september 1944) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Voor de Tweede Wereldoorlog was Van Hoof Verkenner, hij was aanwezig op de Wereldjamboree in 1937 in Vogelenzang. Toen in 1940 de Duitse bezetter Nijmegen bezette, studeerde hij aan de Katholieke Universiteit Nijmegen en kwam hij terecht in het studentenverzet. Tijdens de oorlog bleef hij lid van de padvindersbeweging (Scouting), ook toen dat na 2 april 1941 illegaal was. Na de Tweede Wereldoorlog is het Erekruis van de 'Nederlandse Padvindersraad' omgedoopt tot het Jan van Hoof-kruis. Als lid van de Geheime Dienst Nederland verzamelde Jan van Hoof maandenlang informatie over onder andere de aangebrachte explosieven bij de Waalbrug en de spoorbrug in Nijmegen. Er is geen hard bewijs, doch men gaat ervan uit dat Van Hoof op 18 september explosieven onschadelijk maakte die aan de Waalbrug waren aangebracht door de Duitsers. Volgens het rapport, uitgebracht in 1951 door een commissie, ingesteld door het Ministerie van Oorlog, was een deel van de springladingen nog intact toen de Britten de brug innamen. Niettemin gaf men Van Hoof het voordeel van de twijfel, omdat de Duitsers wel degelijk springladingen hadden hersteld na sabotage, echter hij kan volgens het oordeel van deze commissie niet als redder van de brug worden aangemerkt. Tevens vermoedde de commissie dat de Duitsers de brug niet wilden vernielen, omdat ze deze nodig hadden voor een eventueel tegenoffensief.

Herdenkingssteen op het Joris Ivensplein, Nijmegen
Op 19 september gaf Van Hoof enkele tekeningen af van Duitse versterkingen rond de Waalbrug bij hotel Sionshof nabij de Heilig Landstichting. Het hotel fungeerde als een verzamelpunt voor geallieerde militairen en oorlogsverslaggevers. Vanaf hotel Sionshof vertrok hij die middag om een verkenningswagen van de Royal Engineers door de Nijmeegse binnenstad te loodsen. Op de Nieuwe Markt (vlak bij de spoorbrug) werd de Humber scoutcar met daarin Lance-Sergeant W.T. Berry (30 jaar) en Guardsman A. Shaw (23 jaar) in brand geschoten. Jan van Hoof werd van de wagen geslingerd. Hij overleefde het voorval, maar werd alsnog opgepakt, mishandeld en ter plaatse om het leven gebracht. De herdenkingstegel met de tekst "HIER VIEL JAN VAN HOOF REDDER DER WAALBRUG 19-9-1944" die in 1945 in het trottoir van de lange Hezelstraat hoek Nieuwe Markt werd aangebracht, ligt nu op het Joris Ivensplein. Op de Waalbrug werd, ter herinnering aan de heldendaden van Van Hoof door zijn medestrijders, op 18 september 1945 een gedenksteen onthuld. Deze is geplaatst op de pijler aan de Lentse kant van de brug. Deze gedenksteen, van de hand van Jac Maris, is een natuurstenen gedenksteen met een knielende mannenfiguur in reliëf.

In het verzetsmonument op het Keizer Traianusplein, net voor de Waalbrug, worden allen geëerd die met Jan van Hoof in het verzet vielen voor de bevrijding van Nijmegen. Dit Jan van Hoofmonument is gemaakt door beeldhouwer Marius van Beek, die zelf ook verzetsstrijder was en Jan van Hoof persoonlijk had gekend. Dit monument, een bronzen beeld, bestaat uit een rennende mannenfiguur met vlag en werd door minister Beel onthuld op 17 september 1954, tien jaar na de dood van Van Hoof. De vlag verbeeldt de Nederlandse vlag als nationaal symbool van eenheid en verbondenheid. Omdat er te weinig tijd tussen de opdracht (in februari 1954) en oplevering was, werd in eerste instantie een bronskleurig geverfd gipsen afgietsel onthuld. Bij dit monument vindt in Nijmegen de jaarlijkse dodenherdenking op 4 mei plaats.

Graf van Jan van Hoof op de begraafplaats te Nijmegen.